ECLI:NL:PHR:2009:BG6444
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing artikel 29 Wet OB bij betaling door inkoopcombinatie en teruggaaf omzetbelasting
In deze zaak staat centraal of een inkoopcombinatie, die namens een vaste afnemer een betaling aan een leverancier verricht, recht heeft op teruggaaf van omzetbelasting op grond van artikel 29, lid 1, onderdeel a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB). De inkoopcombinatie had een vordering op een vaste afnemer die failliet ging en betaalde de leverancier namens deze afnemer. Vervolgens verzocht zij om teruggaaf van omzetbelasting wegens wanbetaling door de afnemer.
Het hof oordeelde dat de leverancier de volledige vergoeding heeft ontvangen van de inkoopcombinatie en dat daarom artikel 29, lid 1, van de Wet OB niet van toepassing is. Ook het beroep op de factoringresolutie en het gelijkheidsbeginsel werd afgewezen. De Hoge Raad bevestigt dat de maatstaf van heffing de daadwerkelijk ontvangen vergoeding door de leverancier is, ongeacht door wie die wordt betaald. Civielrechtelijk treedt de inkoopcombinatie door subrogatie in de rechten van de leverancier, maar dit maakt haar niet tot leverancier.
De Hoge Raad stelt dat alleen indien de vergoeding niet is en niet zal worden ontvangen, teruggaaf op grond van artikel 29, lid 1, mogelijk is. Betaling door een derde, zoals de inkoopcombinatie, sluit teruggaaf uit. Ook het beroep op de Zesde richtlijn biedt geen ander resultaat. De factoringresolutie is niet van toepassing omdat geen sprake is van factoring in de zin van het overnemen van vorderingen tegen een vergoeding. Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de inkoopcombinatie geen recht heeft op teruggaaf omzetbelasting omdat de leverancier de volledige vergoeding heeft ontvangen.