ECLI:NL:PHR:2009:BG6558

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 april 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/11629
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 83 ROArt. 588.2 SvArt. 588.3 SvArt. 6 EVRMArt. 10a Opiumwet
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad oordeelt over bewijsmiddel en schending redelijke termijn in strafzaak voorbereidingshandelingen en valsheid in geschrift

In deze zaak is de verdachte door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot tien maanden gevangenisstraf wegens voorbereidingshandelingen in strijd met de Opiumwet en valsheid in geschrift. De verdediging stelde cassatie in met twee middelen: het eerste betrof de nietigheid van het arrest omdat de bewezenverklaring steunde op een proces-verbaal dat niet meer in het dossier aanwezig was. Het tweede middel klaagde over schending van de redelijke termijn.

De Hoge Raad onderzocht het eerste middel en concludeerde dat het hof op grond van art. 83 RO Pro inlichtingen had ingewonnen en het proces-verbaal had kunnen raadplegen ten tijde van het arrest, waardoor het middel feitelijk geen grondslag had. De bewijsconstructie bleef ook zonder het betwiste proces-verbaal sluitend en voldoende gemotiveerd.

Het tweede middel werd gegrond verklaard omdat de mededeling van het verstekarrest niet binnen een jaar aan de verdachte was uitgereikt, waardoor de vertraging voor rekening van het Openbaar Ministerie kwam. De redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden, wat aanleiding gaf tot strafvermindering.

De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de strafmaat en beperkte zich tot strafvermindering, terwijl het beroep voor het overige werd verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest voor wat betreft de strafmaat en vermindert de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Conclusie

Nr. 07/11629
Mr Jörg
Zitting 9 december 2008
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verzoeker is door het gerechtshof te Amsterdam wegens het plegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in art. 10a Opiumwet en valsheid in geschrift veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden.
2. Namens verzoeker hebben mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel houdt in dat het arrest van het hof aan nietigheid leidt nu de bewezenverklaring steunt op een zich niet meer bij de stukken bevindend bewijsmiddel.
4. In de aanvulling op het verkort arrest heeft het hof als volgt overwogen:
"(1.) Het hof heeft geconstateerd dat het in bewijsmiddel 7 genoemde stuk zich thans niet meer bij de stukken van het dossier bevindt. Ten tijde van het wijzen van het arrest heeft het hof geconstateerd dat het in het bewijsmiddel 7 genoemde proces-verbaal zich bij de stukken van het dossier van de verdachte bevond. De tekst hiervan luidde zoals in de aanvulling vonnis van de rechtbank en hierboven weergegeven."
5. Bewijsmiddel 7 betreft een proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] d.d. 23 juni 2000 opgemaakt door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Amsterdam en houdt blijkens de aanvulling op het verkort arrest als volgt in:
"Nadat ik met [verdachte] in het internetcafé was geweest, ben ik met [verdachte] naar Amsterdam Noord gereden omdat ik de rode BMW van [betrokkene 1] daar achter moest laten. Ik had [betrokkene 1] eerder die dag op die plaats in Amsterdam Noord afgezet."
6. Navraag bij eerdere instanties heeft er ook thans niet toe geleid dat alsnog binnen aanvaardbare termijn een afschrift van het proces-verbaal kan worden verstrekt. Het moet er dus voor worden gehouden dat het proces-verbaal in het ongerede is geraakt.
7. De rechtsvraag is of het hof de inhoud van het proces-verbaal van de rechter-commissaris voor het bewijs mocht bezigen terwijl het heeft vastgesteld dat het ten tijde van de uitwerking van het verkort arrest niet meer kon beschikken over het desbetreffende proces-verbaal? Blijkens de overweging heeft het hof ten tijde van het wijzen van het arrest nog kennis genomen van de inhoud van het proces-verbaal en klaarblijkelijk vastgesteld dat de weergave door de rechter in eerste aanleg de juiste was. Niettemin is controle door de Hoge Raad niet meer mogelijk.
8. Enigszins vergelijkbaar is de zaak HR 4 januari 2005, LJN: AR5173 waarin over de inhoud van een in het ongerede geraakte akte van uitreiking werd getwist. Ik heb toen geconcludeerd dat het hof mocht afgaan op de waarneming van het hof in eerdere samenstelling. De Hoge Raad heeft mij niet gevolgd in dat oordeel en heeft om doelmatigheidsredenen de betreffende oproeping nietig verklaard. Wellicht speelde een rol dat het hof - zonder nadere motivering - aangaf "dat ervan kan worden uitgegaan dat een akte van uitreiking () zich indertijd bij de stukken heeft bevonden." De onderhavige zaak is veel krachtiger gemotiveerd: het verdwenen stuk bevond zich daadwerkelijk tot en met het moment van wijzen van het arrest in het dossier. Gelet op de door de Hoge Raad om doelmatigheidredenen uitgesproken nietigheid kan ook een rol gespeeld hebben dat als de juiste aanvang van de behandeling van een strafzaak ter terechtzitting niet kan worden gecontroleerd, dit vitium originis onoverkomelijk is.
9. Ik zou - zij het om enigszins andere redenen - willen vasthouden aan mijn eerdere standpunt dat het hof mocht afgaan op zijn eerdere waarneming. Anders dan in de aangehaalde zaak is er thans bovendien geen aanleiding te twijfelen aan de weergave van het document door de rechter in eerste aanleg en heeft het hof tot aan de beraadslaging en het wijzen van het arrest kunnen beschikken over het stuk.
10. Ook overigens behoeft het middel niet tot cassatie te leiden. Zonder het desbetreffende proces-verbaal is de bewijsconstructie namelijk nog steeds sluitend en voldoende gemotiveerd.(1) De Hoge Raad kan eventueel door weglating van bewijsmiddel 7 het arrest verbeterd lezen. Het middel is tevergeefs voorgesteld.
11. Het tweede middel klaagt over schending van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM.
12. Het middel is gegrond. Verzoeker is op 25 november 2004 in hoger beroep bij verstek veroordeeld. Uit het dossier valt niet op te maken dat het Openbaar Ministerie eerder dan op 7 november 2006, op welke datum de mededeling van het verstekarrest aan verzoeker in persoon is uitgereikt, een poging heeft ondernomen het verstekarrest aan verzoeker uit te reiken. Vervolgens heeft verzoeker op 10 november 2006 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 26 juli 2007, derhalve meer dan 8 maanden na het instellen van het beroep in cassatie ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. De Hoge Raad heeft de zaak op 21 oktober 2008 voor het eerst behandeld. De Hoge Raad zal dus uitspraak doen nadat er meer dan twee jaar is verstreken na het instellen van het beroep in cassatie. Het voorgaande brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden en dat dit dient te leiden tot strafvermindering.
13. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan met verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Omdat dit een overweging ten overvloede is, werk ik die (aangepaste) bewijsconstructie niet uit.