ECLI:NL:PHR:2009:BG7758
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid politieoptreden bij staandehouding en aanhouding in inbraakzaak
Op 18 mei 2006 kregen verbalisanten opdracht te reageren op een verdachte situatie waarbij een grijze Opel Vectra betrokken was. Bij controle bleek het voertuig en de inzittenden ambtshalve bekend vanwege eerdere inbraken. Na het geven van een stopteken en het tonen van legitimatie, werd met toestemming van de bestuurder de kofferbak doorzocht. Hierin werden werktuigen aangetroffen die verband hielden met een recente inbraakmelding.
Op grond van deze feiten ontstond een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit, waarop de inzittenden werden aangehouden. Het hof oordeelde dat het politieoptreden, inclusief het vorderen van legitimatie op basis van de Wet op de identificatieplicht en Politiewet, rechtmatig was en verwierp het verweer dat het bewijs daardoor onrechtmatig was verkregen.
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak, stellende dat het staandehouden en de aanhouding onrechtmatig waren. De Hoge Raad verwierp dit beroep, bevestigde dat het hof de wettelijke grondslag juist had toegepast en dat de toestemming voor de doorzoeking en het ontstaan van het redelijk vermoeden van schuld het politieoptreden rechtvaardigden.
De Hoge Raad benadrukte dat het hof niet gebonden was aan het subjectieve oordeel van de opsporingsambtenaren, maar diende te toetsen aan de feitelijke gang van zaken. Het cassatiemiddel faalde en het beroep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep werd verworpen en de veroordeling van verdachte bevestigd.