ECLI:NL:PHR:2009:BG8781
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over schadevergoeding bij overlijdensschade en berekening behoeftigheid nabestaanden
Deze zaak betreft de vraag hoe bij de berekening van overlijdensschade volgens art. 6:108 lid 1 BW Pro rekening moet worden gehouden met het feit dat de weduwe na het overlijden van haar echtgenoot minder is gaan werken. De echtgenoot kwam in 1998 om het leven door een bedrijfsongeval tijdens werkzaamheden voor Philip Morris. De weduwe en haar minderjarige dochter vorderden schadevergoeding wegens gederfd levensonderhoud.
De centrale discussie betrof of bij de schadeberekening het feitelijke lagere inkomen van de weduwe na overlijden moet worden meegenomen, of dat moet worden uitgegaan van het hypothetische inkomen dat zij zonder overlijden zou hebben verdiend. De rechtbank en het hof verschilden van mening over de juiste maatstaf.
De Hoge Raad bevestigde dat de berekening van overlijdensschade uitgaat van de vergelijking tussen de situatie zonder overlijden en de situatie na overlijden, waarbij de behoefte van de nabestaanden wordt bepaald aan de hand van hun gehele financiële positie. Daarbij moet worden beoordeeld welk inkomen de nabestaande in redelijkheid na overlijden zou moeten verwerven, rekening houdend met alle omstandigheden, waaronder de vermindering van arbeidsuren door de weduwe.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het hof terecht oordeelde dat het niet zonder meer juist is om het inkomen van de weduwe na overlijden gelijk te stellen aan het inkomen vlak voor het overlijden. De zaak werd terugverwezen voor verdere beoordeling met inachtneming van deze maatstaf.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de zaak wordt terugverwezen voor verdere beoordeling volgens de door het hof geformuleerde maatstaf.