ECLI:NL:PHR:2009:BH1225
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Nietigheid vormmerk wegens wezenlijke waarde van vorm aan waar volgens Merkenrichtlijn
Deze zaak betreft de nietigheid van vormmerken die volgens Benelux-Merkenwet en de Merkenrichtlijn niet als merk kunnen worden ingeschreven indien de vorm een wezenlijke waarde aan de waar geeft. Na prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJEG) heeft de Hoge Raad het arrest van het HvJEG gevolgd, waarin is bepaald dat een dergelijke vorm geen merk kan vormen, ook niet wanneer deze vóór de inschrijving aantrekkingskracht heeft verkregen door bekendheid als onderscheidingsteken.
De Hoge Raad oordeelt dat de uitsluiting van registratie van dergelijke vormen absoluut is en dat onderscheidend vermogen door gebruik (inburgering) daaraan niet afdoet. Dit betekent dat het hof dat de zaak eerder behandelde, onjuist heeft geoordeeld dat het moment van bescherming van het merk bepalend is en dat de aantrekkingskracht van de vorm mede kan voortkomen uit de bekendheid van het merk.
De klachten van Benetton tegen het hof worden gegrond verklaard, waarbij wordt benadrukt dat de aantrekkingskracht van de vorm moet worden onderscheiden van de wervingskracht die samenhangt met de merkbekendheid. De Hoge Raad handhaaft zijn eerdere conclusie tot vernietiging en verwijzing, waarbij het hof bij hernieuwd onderzoek rekening moet houden met de uitspraken van het HvJEG en de absolute werking van artikel 3 lid 1 onder Pro e van de Merkenrichtlijn.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat een vorm die een wezenlijke waarde aan een waar geeft niet als merk kan worden ingeschreven, ook niet door inburgering.