ECLI:NL:PHR:2009:BH1985

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/05309
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 RvArt. 426a lid 2 Rv
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen schending eerlijk proces bij voorlopige machtiging psychiatrische opname ondanks ontbreken dossiergegevens

De rechtbank te Arnhem verleende op 25 september 2008 een voorlopige machtiging om verzoeker in een psychiatrisch ziekenhuis op te nemen en te laten verblijven. Verzoeker stelde cassatieberoep in tegen deze machtiging, stellende dat sprake was van schending van het recht op een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, omdat hem gegevens uit het dossier over eerdere inbewaringstelling waren onthouden.

De Hoge Raad oordeelde dat zelfs indien het cassatiemiddel aan de formele eisen voldeed, het gebrek aan dossiergegevens voorafgaand aan de machtiging geen invloed had op de geldigheid van de voorlopige machtiging. Daarnaast was niet gespecificeerd welke gegevens waren onthouden en op welke wijze verzoeker hierdoor was benadeeld. Ook bleek uit het proces-verbaal dat in eerste aanleg niet over ontbrekende stukken was geklaagd.

Daarom werd het cassatieberoep verworpen met toepassing van artikel 81 van Pro het Wetboek van Rechtsvordering. De conclusie tot verwerping werd gegeven zonder inhoudelijke toetsing van het middel, omdat de klacht onvoldoende concreet was onderbouwd.

Uitkomst: Het cassatieberoep werd verworpen en de voorlopige machtiging tot opname bleef geldig.

Conclusie

08/05309
Mr. F.F. Langemeijer
Parket, 30 januari 2009
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
tegen
Officier van Justitie te Arnhem
1. Deze Bopz-zaak leent zich voor een verkorte conclusie. Op verzoek van de officier van justitie te Arnhem heeft de rechtbank aldaar op 25 september 2008 een voorlopige machtiging verleend om verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen en verblijven. Op 24 december 2008, dus tijdig, is namens betrokkene cassatieberoep ingesteld(1). In cassatie is geen verweer gevoerd.
2. Het cassatiemiddel klaagt over schending van art. 6 EVRM Pro, te weten het ontbreken van een eerlijk proces (equality of arms). De klacht is toegelicht in één zin, die luidt: "Aan betrokkene zijn gegevens uit het dossier onthouden die tot aan de machtiging voorafgaande inbewaringstelling hebben geleid."
3. Verondersteld al dat een zodanig middel aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv voldoet, kan de klacht niet tot cassatie leiden. Indien een gebrek zou kleven aan een voorafgaande last tot inbewaringstelling of machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling, doet dit geen afbreuk aan de geldigheid van de onderhavige voorlopige machtiging. Bovendien is in de klacht niet aangeduid welke gegevens aan betrokkene zouden zijn onthouden en in welk opzicht betrokkene hierdoor zou zijn benadeeld. Uit het overgelegde proces-verbaal blijkt niet dat bij de behandeling in eerste aanleg is geklaagd over ontbrekende stukken. De conclusie strekt dan ook tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 R.O.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
1 Het cassatierekest vermeldt dat het cassatieberoep op uitdrukkelijk verzoek van betrokkene is ingesteld. De advocaat heeft bij brief van 9 januari 2009 alsnog het dossier in copie ingezonden en meegedeeld dat dit hem geen aanleiding gaf het middel nader te onderbouwen en dat betrokkene geen toestemming heeft gegeven om het cassatieberoep in te trekken.