ECLI:NL:PHR:2009:BH1991
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over onverschuldigde betaling en onrechtmatige daad bij participatieovereenkomst
In deze zaak draait het om de vraag of een betaling van fl. 135.000 (€61.260,33) door verweerder aan eiseres B, na toezegging van mogelijke participatie, onverschuldigd was en of eiser A persoonlijk aansprakelijk kan worden gehouden wegens onrechtmatig handelen. Verweerder stelde dat hij door misleiding van eiser A tot betaling was gebracht, terwijl eiser A en zijn vennootschappen dit ontkenden.
De rechtbank wees de vorderingen van verweerder af wegens onvoldoende gemotiveerde stellingen. Het hof Arnhem stelde echter vast dat de betaling verband hield met een mogelijke participatie en wees de vordering tegen eiseres B toe, maar wees de vordering tegen eiser A af omdat de toezegging rechtens aan de vennootschap toerekenbaar was. Verweerder stelde dat het hof ten onrechte niet had geoordeeld over zijn subsidiaire grondslag van onrechtmatig handelen door eiser A.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof de vordering tegen eiser A heeft afgewezen zonder de subsidiaire grondslag van onrechtmatig handelen te beoordelen, wat een motiveringsgebrek oplevert. Daarnaast bevestigt de Hoge Raad dat de betaling onverschuldigd was omdat er geen bindende overeenkomst tot participatie bestond, en dat de akten van 12 april 2001 geen werkelijke overeenkomst weergeven. De klachten tegen het arrest worden deels gegrond verklaard en het arrest wordt voor dat deel vernietigd.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd voor zover de vordering tegen eiser A zonder motivering is afgewezen; de betaling van €61.260,33 wordt als onverschuldigd beschouwd.