ECLI:NL:PHR:2009:BH2415

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/13608 Hs
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 SvArt. 467 SvArt. 22g Sr
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening wegens onregelmatige geuridentificatieproef bij diefstal met braak

De zaak betreft een herzieningsverzoek van een veroordeelde diefstal met braak gepleegd op 15 januari 1999. De veroordeling was mede gebaseerd op een geuridentificatieproef uitgevoerd door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland, waarvan later bleek dat deze mogelijk in strijd met het protocol was uitgevoerd.

De Hoge Raad oordeelt dat het bewijs van de geurproef onregelmatig is en dat zonder dit bewijs onvoldoende aannemelijkheid bestaat dat de aanvrager de dader is van het strafbare feit. Dit levert een ernstig vermoeden op dat de politierechter de verdachte anders zou hebben vrijgesproken, wat een novum oplevert in de zin van artikel 457 Sv Pro.

De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening gegrond voor zover deze betrekking heeft op het derde feit, een diefstal met braak, en beveelt opschorting van gewijsde en verwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem voor een nieuwe behandeling volgens artikel 467 Sv Pro.

De andere feiten waarvoor geen geurproef is afgenomen blijven ongewijzigd. De conclusie is dat de geurproef als bewijsmiddel niet betrouwbaar was en dat dit tot een nieuwe beoordeling moet leiden.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de herzieningsaanvraag gegrond en verwijst de zaak terug naar het gerechtshof voor hernieuwde behandeling van de diefstal met braak wegens onregelmatige geuridentificatieproef.

Conclusie

Nr. 07/13608 H
Mr Jörg
Zitting 9 december 2008
Conclusie inzake:
[Aanvrager=verzoeker]
1. De politierechter in de arrondissementsrechtbank te Zwolle heeft verzoeker bij vonnis van 7 mei 1999 wegens één diefstal met geweldpleging en twee diefstallen met braak veroordeeld tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemene nutte van 240 uur, subsidiair 6 maanden gevangenisstraf. Bij beslissing van 20 september 2001 is het onherroepelijk geworden vonnis ingevolge art. 22g Sr omgezet en is aan verzoeker een gevangenisstraf van 2 maanden opgelegd.
2. Namens verzoeker heeft mr. J.A. van der Lem, advocaat te Deventer, een aanvraag voor herziening tot de Hoge Raad gericht.
3. De aanvraag is gegrond op de stelling dat verzoeker niet zou zijn veroordeeld voor het onder 2(1) tenlastegelegde indien de politierechter destijds op de hoogte was geweest dat het hier gaat om een zogenaamde "besmette geurproef". Aan de aanvraag is gehecht een brief van de rechercheofficier van justitie van het arrondissementsparket Zwolle-Lelystad inhoudende dat in deze zaak een geuridentificatieproef is afgenomen door de geurhondendienst van Noord- en Oost-Gelderland en dat mogelijk is gehandeld in strijd met het geldende protocol.
4. Verzoeker is veroordeeld wegens drie feiten. Feit 1 betreft de diefstal met geweld, gepleegd op 26 januari 1999; feit 2 betreft een diefstal met braak gepleegd op 20 januari 1999 en feit 3 betreft een diefstal met braak gepleegd op 15 januari 1999. Uit het dossier blijkt dat verzoeker op 26 januari 1999 op heterdaad is betrapt en aangehouden bij de diefstal gevolgd door bedreiging met geweld in de Edah in Deventer (feit 1). Naar aanleiding van de aanhouding van verzoeker is door de politie gekeken naar een aantal andere onopgeloste diefstallen die steeds volgens dezelfde modus operandi waren gepleegd. Zo komen de feiten 2 en 3 naar boven. Met betrekking tot het derde feit, diefstal met braak op 15 januari 1999, wordt op 30 januari 1999 een geuridentificatieproef afgenomen door de verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] van de technische recherche van de regiopolitie Twente. Speurhond Rex heeft toen een overeenkomst waargenomen tussen het aangetroffen spoor (een witte sok) en verzoeker. Hoewel het verzoek het feitnummer 2 vermeldt doelt het qua inhoud op feit 3 (door de politie incident 2 genummerd).
5. De Hoge Raad heeft eerder geoordeeld dat in de gevallen waarin in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 een geuridentificatieproef door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland in de desbetreffende strafzaak is uitgevoerd, dit onderzoek - behoudens concrete aanwijzingen van het tegendeel - moet worden geacht te hebben plaatsgevonden in strijd met het voorschrift dat de hondengeleider de volgorde van de geurdragers niet kent, hetgeen met zich brengt dat ervan moet worden uitgegaan dat het resultaat van die geuridentificatieproef in die gevallen niet als voldoende betrouwbaar kan gelden en dat aldus moet worden aangenomen dat het resultaat van de geuridentificatieproef niet zou zijn gebruikt voor het bewijs indien de rechter met de opgetreden onregelmatigheid bekend was geweest (vgl. HR 22 april 2008, LJN BC 8789).
6. Ten aanzien van de feiten 1 en 2 heeft geen geurproef plaatsgevonden. Ten aanzien van die feiten kan niet van een novum sprake zijn. Door de aanvrager wordt overigens het tegendeel ook niet aangevoerd. Ten aanzien van feit 3 heeft wel een geurproef plaatsgevonden zodat ten aanzien van dit feit gekeken dient te worden naar de bewijsconstructie.
7. Aangezien de politierechter heeft volstaan met een "Aantekening mondeling vonnis" en zich dus geen met bewijsmiddelen uitgewerkt vonnis in het dossier bevindt, dient de bewijsvoering aan de hand van het dossier gereconstrueerd te worden.
8. Het dossier houdt het volgende in:
a. een proces-verbaal van aangifte inhoudende dat aangever [benadeelde partij 1] op 15 januari 1999 wakker werd van een geluid beneden in zijn sigarenwinkel, dat hij naar buiten keek en een man met een lichtblauwe jas aan en een blauw-wit gestreepte gebreide muts op en een plastic zak in de hand zag wegfietsen. De winkelruit bleek ingeslagen en rookwaar vermist. In de winkel werd een witte sok aangetroffen;
b. een proces-verbaal met de verklaring van getuige [getuige 1], inhoudende dat zij - gealarmeerd - naar buiten keek en een man zag weglopen, "die kennelijk bij hen in de winkel kwam." Dit baseerde zij op zijn houding en manier van lopen: een "aparte lijzige manier;"
c. Een proces-verbaal van de uitgevoerde geuridentificatieproef;
d. Twee processen-verbaal met de verklaring van verzoeker waarin hij, ondanks de confrontatie met de uitkomsten van de geuridentificatieproef, is blijven ontkennen.
9. Het bewijs dat verzoeker zich heeft schuldig gemaakt aan de diefstal op 15 januari 1999 in het sigarenmagazijn in Deventer is zoals de aanvraag terecht stelt in overwegende mate ontleend aan de geuridentificatieproef. Wordt die uitgesloten van het bewijs dan bevat het dossier niets waaraan de betrokkenheid van verzoeker rechtstreeks kan worden ontleend. Indirect alleen via de overeenkomstige modus operandi bij het onder 2 bewezenverklaarde feit (incident 3). Voor dit laatste feit berust het bewijs op de aangifte, op de herkenning door een verbalisant van verzoeker die er bij het zien van de politie - ondanks de roep: "Stop of ik schiet" vandoor gaat met achterlating van een deel van de gestolen rookwaar.
10. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat de omstandigheid dat de geurproef niet voor het bewijs kon worden gebruikt een ernstig vermoeden oplevert dat de rechter, zou hij ten tijde van de berechting hiermee bekend zijn geweest, verzoeker zou hebben vrijgesproken van feit 3. Aldus is sprake van een novum als bedoeld in art. 457, eerste lid onder 2° Sv.
11. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvraag gegrond zal verklaren voor zover betrekking hebbend op feit 3; voor zover nodig de opschorting of schorsing van gewijsde zal bevelen, en de zaak zal verwijzen naar het gerechtshof te Arnhem, opdat de zaak in zoverre op de voet van art. 467 Sv Pro opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Zie hieronder punt 4 voor het juiste nummer.