ECLI:NL:PHR:2009:BH2415
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Herziening wegens onregelmatige geuridentificatieproef bij diefstal met braak
De zaak betreft een herzieningsverzoek van een veroordeelde diefstal met braak gepleegd op 15 januari 1999. De veroordeling was mede gebaseerd op een geuridentificatieproef uitgevoerd door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland, waarvan later bleek dat deze mogelijk in strijd met het protocol was uitgevoerd.
De Hoge Raad oordeelt dat het bewijs van de geurproef onregelmatig is en dat zonder dit bewijs onvoldoende aannemelijkheid bestaat dat de aanvrager de dader is van het strafbare feit. Dit levert een ernstig vermoeden op dat de politierechter de verdachte anders zou hebben vrijgesproken, wat een novum oplevert in de zin van artikel 457 Sv Pro.
De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening gegrond voor zover deze betrekking heeft op het derde feit, een diefstal met braak, en beveelt opschorting van gewijsde en verwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem voor een nieuwe behandeling volgens artikel 467 Sv Pro.
De andere feiten waarvoor geen geurproef is afgenomen blijven ongewijzigd. De conclusie is dat de geurproef als bewijsmiddel niet betrouwbaar was en dat dit tot een nieuwe beoordeling moet leiden.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de herzieningsaanvraag gegrond en verwijst de zaak terug naar het gerechtshof voor hernieuwde behandeling van de diefstal met braak wegens onregelmatige geuridentificatieproef.