ECLI:NL:PHR:2009:BH3190
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroepsaansprakelijkheid advocaat bij huur bedrijfsruimte en toepassing art. 7A:1624 oud BW
Eiser huurde een loods voor zijn bouwbedrijf zonder schriftelijke overeenkomst. Verhuurder zegde de huur op wegens vermeend illegaal woongebruik. Eiser schakelde advocaat in die een verzoekschrift tot schorsing ontruiming te laat indiende. De kantonrechter wees het verzoek af, en hoger beroep bevestigde dit. Eiser verliet de loods na een kort geding.
Eiser stelde de advocaat aansprakelijk wegens beroepsfout en vorderde schadevergoeding. De rechtbank oordeelde dat eiser slaagde in zijn bewijs dat het gehuurde bedrijfsruimte was in de zin van art. 7A:1624 oud BW, en veroordeelde de advocaat tot schadevergoeding. Het hof vernietigde dit en oordeelde dat eiser niet voldeed aan zijn bewijsopdracht, omdat onvoldoende vaststond dat het gehuurde bestemd was voor het bouwbedrijf of als verkooppunt diende.
In cassatie betoogde eiser dat het hof het bestemmingscriterium onjuist toepaste, bewijs en kwalificatie door elkaar haalde en het verkooppuntvereiste verkeerd beoordeelde. De Hoge Raad oordeelde dat het hof het bestemmingsvereiste juist had toegepast, met de juiste invulling voor een mondelinge huurovereenkomst, en dat de bewijsopdracht correct was beoordeeld. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het hof heeft terecht geoordeeld dat het gehuurde geen bedrijfsruimte is in de zin van art. 7A:1624 oud BW.