ECLI:NL:PHR:2009:BH3193
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid derde bij wanprestatie pachter inzake overdracht melkquotum
Deze zaak betreft de vraag of familieleden van een pachter onrechtmatig hebben gehandeld jegens de verpachter door medewerking aan de overdracht van het melkquotum aan een ander dan de verpachter. Het melkquotum was door de moeder geërfd en verbonden aan gepachte landbouwgrond van de zoon, die het bedrijf beëindigde en het melkquotum overdroeg aan de dochter.
De verpachter vorderde schadevergoeding wegens onrechtmatige daad, stellende dat de moeder en dochter bewust het melkquotum buiten zijn bereik brachten. Na eerdere procedures vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof en verwees de zaak terug. Het hof te 's-Gravenhage bevestigde het afwijzende vonnis van de rechtbank.
De Hoge Raad overweegt dat de enkele bekendheid van een derde met contractuele verplichtingen van een pachter niet leidt tot aansprakelijkheid voor wanprestatie, tenzij die derde de wanprestatie heeft uitgelokt of actief betrokken was. De moeder had het melkquotum krachtens erfrecht verkregen en niet van de zoon. Het hof heeft de stellingen van de verpachter zorgvuldig beoordeeld en geoordeeld dat er geen onrechtmatige daad is begaan.
De klachten over onvoldoende motivering en het niet betrekken van bepaalde omstandigheden worden verworpen. Ook het bewijsaanbod wordt afgewezen omdat het hof reeds uitging van bekendheid met verplichtingen en vaststelde dat de moeder niet te kwader trouw was. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de moeder en dochter niet onrechtmatig hebben gehandeld jegens de verpachter.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; moeder en dochter zijn niet onrechtmatig jegens de verpachter.