ECLI:NL:PHR:2009:BH3919
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bewijswaardering bij wederrechtelijke vrijheidsberoving in Gouda
In deze zaak stond de vraag centraal of het bewijs dat verdachte op 10 mei 2005 te Gouda het slachtoffer wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd, voldoende en correct was gewogen door het hof. Het hof had bewezen verklaard dat verdachte met opzet de sleutels van het slachtoffer had afgepakt en haar gedwongen in een stoel te blijven zitten, waarbij hij haar zelfs met de hand tegen de keel duwde.
De bewijsmiddelen bestonden uit een verklaring van het slachtoffer afgelegd bij de rechter-commissaris en een verklaring van verdachte tijdens de terechtzitting in hoger beroep. De verdediging voerde aan dat de verklaringen niet sluitend waren en dat het hof de verklaring van verdachte had gedenatureerd door het woord "alleen" weg te laten. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht zijn bevoegdheid tot selectie en waardering van het bewijs had uitgeoefend en dat geen wezenlijke verandering van betekenis had plaatsgevonden.
Daarnaast werd betoogd dat het hof onterecht de verklaring van het slachtoffer bij de rechter-commissaris tot bewijs had gebruikt, omdat zij ter terechtzitting in eerste aanleg zou zijn teruggekomen op die verklaring. De Hoge Raad stelde vast dat dit niet het geval was en dat de verklaring niet onder de restricties viel die gelden voor verklaringen in het opsporingsonderzoek.
De Hoge Raad concludeerde dat de middelen van cassatie falen en dat het beroep moet worden verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.