ECLI:NL:PHR:2009:BH3919

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 april 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/11894
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewijswaardering bij wederrechtelijke vrijheidsberoving in Gouda

In deze zaak stond de vraag centraal of het bewijs dat verdachte op 10 mei 2005 te Gouda het slachtoffer wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd, voldoende en correct was gewogen door het hof. Het hof had bewezen verklaard dat verdachte met opzet de sleutels van het slachtoffer had afgepakt en haar gedwongen in een stoel te blijven zitten, waarbij hij haar zelfs met de hand tegen de keel duwde.

De bewijsmiddelen bestonden uit een verklaring van het slachtoffer afgelegd bij de rechter-commissaris en een verklaring van verdachte tijdens de terechtzitting in hoger beroep. De verdediging voerde aan dat de verklaringen niet sluitend waren en dat het hof de verklaring van verdachte had gedenatureerd door het woord "alleen" weg te laten. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht zijn bevoegdheid tot selectie en waardering van het bewijs had uitgeoefend en dat geen wezenlijke verandering van betekenis had plaatsgevonden.

Daarnaast werd betoogd dat het hof onterecht de verklaring van het slachtoffer bij de rechter-commissaris tot bewijs had gebruikt, omdat zij ter terechtzitting in eerste aanleg zou zijn teruggekomen op die verklaring. De Hoge Raad stelde vast dat dit niet het geval was en dat de verklaring niet onder de restricties viel die gelden voor verklaringen in het opsporingsonderzoek.

De Hoge Raad concludeerde dat de middelen van cassatie falen en dat het beroep moet worden verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand blijft.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.

Conclusie

Nr. 07/11894
Mr. Bleichrodt
Zitting 17 februari 2009 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 19 februari 2007, met vernietiging van het vonnis van de Politierechter, de verdachte ter zake van "Opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden" veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met een proeftijd van twee jaren.
2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. R.F. Nelisse, advocaat te Rotterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.(1)
3.1 Het eerste middel omvat, zo blijkt uit de toelichting, twee onderdelen. Het eerste onderdeel van het middel komt op tegen de bewijsconstructie van het Hof.
3.2.1 Ten laste van verdachte heeft het Hof onder 2 bewezenverklaard dat:
'hij op 10 mei 2005 te Gouda opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers heeft hij verdachte met dat opzet de sleutel(s) van die woning (af)gepakt en die [slachtoffer 1] gedwongen in een stoel te zitten en te blijven zitten.'
3.2.2 De bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:
'1. Het proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te 's Gravenhage van 12 juli 2005. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:
als de op 12 juli 2005 tegenover deze rechter-commissaris afgelegde verklaring van de getuige [slachtoffer 1]:
Op 10 mei 2005 was ik thuis te Gouda. [verdachte] kwam aan de achterdeur. Ik deed de achterdeur open en hij kwam binnen. Hij was behoorlijk boos. Hij pakte mijn achterdeursleutel af. Ik vroeg die sleutel terug, maar kreeg hem niet. Ik stond op en toen werd ik door [verdachte] teruggeduwd in mijn stoel. Hij duwde mij met zijn hand tegen mijn keel. De rol van [verdachte] was dat hij mij voortdurend in mijn stoel geduwd heeft.
2. De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 5 februari 2007 verklaard -zakelijk weergegeven-:
[Slachtoffer 1] heeft op 10 mei 2005 de deur van haar huis in Gouda voor mij geopend. Ik heb gezegd dat ze moest blijven zitten.'
3.3 Blijkens de toelichting betoogt de steller van het middel in de eerste plaats dat 'de twee gebezigde bewijsmiddelen noch in samenhang, noch ieder afzonderlijk sluitend bewijs vormen van het ten laste gelegde.'(2) Daarin kan ik de steller van het middel niet volgen. Uit de onder 1 tot het bewijs gebezigde verklaring van het slachtoffer vloeit voort dat ten gevolge van verdachtes handelen - welk handelen bestond uit: het afpakken van de sleutels van het slachtoffer; het ondanks een verzoek daartoe niet willen teruggeven daarvan; het (voortdurend) in een stoel duwen van het slachtoffer en het duwen van haar met verdachtes hand op haar keel - het slachtoffer werd belemmerd om haar huis te verlaten of zich daarin vrij te bewegen en zodoende haar bewegingsvrijheid door verdachtes toedoen voor enige tijd werd opgeheven. Verdachtes eigen verklaring, zoals deze onder 2 tot het bewijs is gebezigd, ondersteunt de verklaring van het slachtoffer, met name voor wat betreft zijn aanwezigheid ter plaatse en het onderdeel dat verdachte tegen haar heeft gezegd dat zij moest blijven zitten. Zo beschouwd kan het bewezenverklaarde uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid en faalt dit onderdeel van het middel.
3.4 Voorts bevat het eerste onderdeel van het eerste middel nog de klacht dat de tot het bewijs gebezigde verklaringen elkaar tegen spreken. Die klacht mist naar mijn inzicht feitelijke grondslag, nu in de hierboven onder 3.2.2 weergegeven tot het bewijs gebezigde verklaringen geen onderlinge tegenstrijdigheid zijn te bespeuren. Ik verwijs naar wat hiervoor onder 3.3 is opgemerkt. Het Hof heeft wat de verdachte nog meer heeft verklaard dan wat voor het bewijs is gebruikt als niet van waarde ter zijde gelaten, wat het als feitenrechter mocht doen.
3.5 In het tweede onderdeel van het eerste middel wordt betoogd dat het Hof de tot het bewijs gebezigde verklaring van verdachte heeft gedenatureerd, doordat het Hof in het tot het bewijs gebezigde onderdeel van die verklaring het woordje "alleen" heeft weggelaten uit de (oorspronkelijke) zin 'ik heb alleen gezegd dat ze moest blijven zitten', waardoor de betekenis van verdachtes verklaring wezenlijk zou zijn veranderd.
Ook dit onderdeel van de klacht is niet gegrond, nu van een wezenlijke verandering van de betekenis van verdachtes verklaring geen sprake is. Immers, zowel verdachtes verklaring in zijn geheel als het tot het bewijs gebezigde onderdeel daarvan houdt in dat verdachte tegen het slachtoffer heeft gezegd dat ze moest blijven zitten. Het Hof heeft daarentegen klaarblijkelijk geen geloof gehecht aan verdachtes verklaring voor zover deze inhoudt dat verdachte alleen maar bedoelde woorden heeft uitgesproken (en verder niets heeft gedaan). Het Hof heeft hier gebruik gemaakt van zijn aan hem als feitenrechter toekomende bevoegdheid tot selectie en waardering van het bewijsmateriaal. Om gelijke redenen is ook de verklaring van [slachtoffer 1] niet gedenatureerd in die zin dat voor wat betreft het duwen tegen de keel in de bewijsmiddelen niet de daarop volgende zin is opgenomen:"Volgens mij deed hij dat niet doelbewust".
3.6 Het eerste middel faalt.
4.1 Het tweede middel bevat de klacht dat het Hof de door getuige [slachtoffer 1] op 12 juli 2005 bij de Rechter-Commissaris afgelegde verklaring ten onrechte tot het bewijs heeft gebezigd. [Slachtoffer 1], zo betoogt het middel, is immers ter terechtzitting in eerste aanleg voor het eerst 'teruggekomen op haar eerder in het voorbereidend onderzoek afgelegde verklaring en heeft toen een op essentiële punten ontlastende verklaring afgelegd', ten gevolge waarvan de appelrechter [slachtoffer 1] ambtshalve als getuige had dienen op te roepen, hetgeen in de onderhavige zaak niet is gebeurd. De verklaring van [slachtoffer 1] had daarom niet tot het bewijs mogen worden gebruikt. Het middel beroept zich op HR 23 oktober 2006, LJN BB8530. (3)
4.2 Nog daargelaten dat niet gezegd kan worden dat [slachtoffer 1] ter terechtzitting in eerste aanleg is teruggekomen op haar eerdere (uitvoerige en gedetailleerde) verklaring en alsnog een op essentiële punten ontlastende nadere verklaring heeft afgelegd, miskent het middel dat die eerdere verklaring niet een in het opsporingsonderzoek tegenover een opsporingsambtenaar afgelegde verklaring was, waarover het in genoemde rechtspraak van de Hoge Raad gaat, maar om een op 12 juli 2005 ten overstaan van de Rechter-Commissaris afgelegde verklaring.(4) Op grond van die rechtspraak was het Hof dus niet gehouden [slachtoffer 1] als getuige te horen, bij gebreke waarvan haar eerdere verklaring niet voor het bewijs zou mogen worden gebruikt.
4.3 Ook het tweede middel faalt.
5. De middelen falen en kunnen mijns inziens met de aan art. 81 RO Pro te ontlenen motivering worden afgedaan. Gronden die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden, heb ik niet aangetroffen.
6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Deze zaak hangt samen met de onder nr. 07/11891 tegen [medeverdachte 1] aanhangige zaak, in welke zaak ik vandaag ook concludeer.
2 De steller van het middel, die de hele tenlastelegging citeert, miskent dat de vraag is of wat van het tenlastegelegde is bewezen verklaard uit de gebruikte bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
3 Zie ook reeds HR 1 februari 1994, NJ 1994, 427 m.nt. C; HR 12 oktober 1999, NJ 1999, 827.
4 Ik wijs er voor de goede orde nog op dat zowel in NJ 1994, 427 rov. 6.3.3 sub (iii-2) slot als in HR 23-10-2006, LJN BB8530 rov. 3.5 slot wordt gesproken over "zijn eerder in het voorbereidend onderzoek afgelegde verklaring". Daar zou op zichzelf dus ook een verklaring tegenover de RC onder kunnen vallen. Maar duidelijk is (zie ook telkens de volgende alinea waar weer sprake is van "opsporingsonderzoek") dat het gaat om politieverklaringen die onder omstandigheden niet zonder meer voor het bewijs kunnen worden gebruikt.