ECLI:NL:PHR:2009:BH5466

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
29 mei 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/01453
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 163 Rv
Verwijzingen
6 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewijswaardering getuigenverklaring in geldleningsgeschil

In deze civiele procedure gaat het om een geschil over de geldlening en de bewijslevering daarvan. De rechtbank 's-Gravenhage oordeelde dat verweerster geslaagd was in het bewijs dat zij op verschillende momenten geld aan eiser had uitgeleend en kende een vordering van ruim 38.000 euro toe.

Eiser stelde hoger beroep in en werd door het hof toegelaten tot het leveren van tegenbewijs. Bij het eindarrest bevestigde het hof dat eiser dit tegenbewijs niet had geleverd en verwierp diens grieven, waarmee het vonnis van de rechtbank werd bekrachtigd.

Eiser kwam in cassatie tegen zowel het tussenarrest als het eindarrest. De Hoge Raad verklaarde hem niet-ontvankelijk voor zover het cassatieberoep gericht was tegen het tussenarrest, omdat hij daartegen geen klachten had geformuleerd. Het cassatieberoep tegen het eindarrest werd verworpen, omdat de klachten over de bewijswaardering en motivering niet slaagden.

De Hoge Raad bevestigde dat het gebruik van getuigenverklaringen de auditu (horen zeggen) als bewijs niet verboden is volgens art. 163 Rv Pro, mits de rechter dit als een vermoeden voor de waarheid gebruikt. Ook oordeelde de Hoge Raad dat het hof voldoende had gemotiveerd waarom de grieven tegen het bewijsoordeel falen, waarbij de motiveringsplicht beperkt is en de waardering van bewijs aan de rechter is.

Deze uitspraak bevestigt de ruimte die de rechter heeft bij de bewijswaardering en de toepassing van art. 163 Rv Pro in civiele procedures over geldleningen.

Uitkomst: Cassatieberoep tegen tussenarrest niet-ontvankelijk verklaard en cassatieberoep tegen eindarrest verworpen.

Conclusie

08/01453
Mr L. Strikwerda
zt. 6 maart 2009
conclusie inzake
[Eiser]
tegen
[Verweerster]
Edelhoogachtbaar College,
1. Bij eindvonnis van 7 mei 2003 heeft de rechtbank 's-Gravenhage thans verweerster in cassatie, hierna: [verweerster], geslaagd geoordeeld in het haar bij tussenvonnis van 27 februari 2002 opgedragen bewijs dat zij op verschillende tijdstippen diverse bedragen aan thans eiser tot cassatie, hierna: [eiser], heeft uitgeleend en de desbetreffende vordering van [verweerster] tot een bedrag van Euro 38.006.53 toegewezen.
2. Op het hoger beroep van [eiser] heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage bij tussenarrest van 27 oktober 2005 [eiser] toegelaten tot het leveren van tegenbewijs. Bij eindarrest van 13 december 2007 heeft het hof geoordeeld dat [eiser] het tegenbewijs niet heeft bijgebracht en, onder verwerping van diens grieven, het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
3. [Eiser] is tegen het tussen- en eindarrest van het hof (tijdig) in cassatie gekomen. [Verweerster] is in cassatie niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend.
4. [Eiser] heeft geen cassatieklachten aangevoerd tegen het tussenarrest van het hof, zodat hij in zijn cassatieberoep, voor zover dit is gericht tegen het tussenarrest, niet kan worden ontvangen.
5. Ter bestrijding van het eindarrest van het hof heeft [eiser] één middel voorgesteld. De in dit middel aangevoerde klachten kunnen naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden en nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat zij zich lenen tot verwerping met toepassing van art. 81 RO Pro. De zaak komt daarom in aanmerking voor een verkorte conclusie.
6. Het middel keert zich met rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel van het hof dat de door [eiser] aangevoerde grieven tegen het bewijsoordeel van de rechtbank falen.
7. De rechtsklachten houden in dat het hof art. 163 Rv Pro heeft geschonden doordat het aan getuigenverklaringen die op horen zeggen berusten, bewijs heeft ontleend.
8. Deze klachten falen omdat uit het oog wordt verloren dat art. 163 Rv Pro de rechter niet verbiedt uit wat een getuige anderen heeft horen zeggen een vermoeden te ontlenen voor de waarheid van de inhoud van die mededeling. Aan een zodanige verklaring mag derhalve bewijs worden ontleend (vgl. HR 26 november 1948, NJ 1949, 149 nt. PhANH, en HR 24 december 1976, NJ 1977, 286 nt. WHH).
9. De motiveringsklachten verwijten het hof zijn oordeel dat de door [eiser] aangevoerde grieven tegen het bewijsoordeel van de rechtbank falen, niet (voldoende) te hebben gemotiveerd.
10. Deze klachten kunnen niet tot cassatie leiden omdat het hof in r.o. 4, 6 en 10 van zijn eindarrest heeft gemotiveerd dat en waarom de door [eiser] tegen het bewijsoordeel van de rechtbank aangevoerde grieven falen. De gegeven motivering is niet onbegrijpelijk of anderszins ontoereikend, in aanmerking genomen dat de rechter vrij is in de waardering van het bewijs en zijn motiveringsplicht op dit punt beperkt is (vgl. HR 5 december 2003, NJ 2004, 74). Anders dan het middel kennelijk wil betogen, was het hof niet gehouden te motiveren waarom hij aan de verklaring van een getuige al dan niet geloof hecht (zie bijv. HR 11 februari 1994, NJ 1994, 651 nt. HJS).
De conclusie strekt tot
- niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] in zijn cassatieberoep voor zover dit is gericht tegen het tussenarrest van het hof, en
- tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden.