ECLI:NL:PHR:2009:BH5701
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring mishandeling en behandelt bewijs- en EVRM-klachten
In deze zaak stond verdachte terecht voor meerdere mishandelingen gepleegd tussen mei en juni 2005 in Amsterdam. Het hof had verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden waarvan één maand voorwaardelijk, met een contactverbod jegens het slachtoffer.
De Hoge Raad behandelde twee cassatiemiddelen van de verdediging, beide gericht op de bewijsvoering. De verdediging stelde dat de verklaring van het slachtoffer onvoldoende betrouwbaar was en dat het hof onterecht feiten had vastgesteld die al door de politierechter waren vrijgesproken, wat een schending van het recht op onschuld (art. 6 EVRM Pro) zou betekenen.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof de verklaring van het slachtoffer terecht als betrouwbaar had beoordeeld, mede ondersteund door verklaringen van familieleden en een medische verklaring. Daarnaast werd geoordeeld dat het hof niet gebonden was aan de vrijspraak van de politierechter voor bepaalde feiten en dat het gebruik van verklaringen van horen zeggen niet per definitie onrechtmatig is.
Hoewel het hof in een aanvulling op het arrest mogelijk onbedoeld ook feiten vermeldde waarvoor verdachte was vrijgesproken, achtte de Hoge Raad dit een misslag zonder bewuste twijfel aan de onschuld van verdachte. De klachten faalden derhalve. Wel werd opgemerkt dat de straf verminderd moet worden vanwege overschrijding van de redelijke termijn sinds het instellen van het cassatieberoep.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de bewezenverklaring mishandeling en vermindert de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn.