ECLI:NL:PHR:2009:BH8598
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ontvankelijkheid OM ondanks schending Duitse soevereiniteit bij aanhouding
De zaak betreft een verdachte die op Nederlands grondgebied is aangehouden door leden van de Koninklijke Marechaussee, maar zich gedurende het traject deels op Duits grondgebied bevond. De verdachte werd in een arrestantenvoertuig geplaatst en onderging onderzoekshandelingen door Nederlandse ambtenaren. De verdediging stelde dat hierdoor de Duitse soevereiniteit was geschonden en dat het Openbaar Ministerie daarom niet-ontvankelijk moest worden verklaard.
De politierechter en het Gerechtshof bevestigden de veroordeling van de verdachte wegens het niet voldoen aan een wettelijk bevel, waarbij werd geoordeeld dat de schending van Duitse soevereiniteit zo beperkt was dat dit geen gevolgen had voor de ontvankelijkheid van het OM. De Hoge Raad sluit zich hierbij aan en benadrukt dat een schending van soevereiniteit alleen relevant is als deze leidt tot een schending van de rechten van de verdachte, wat hier niet het geval was.
Daarnaast behandelde de Hoge Raad bezwaren tegen de rechtsgeldigheid van een noodverordening en de wijze van ondertekening van het besluit van de Commissaris van de Koningin. De Hoge Raad oordeelt dat de bekrachtiging van de noodverordening geen besluit van algemene strekking is en dat mandatering van ondertekening toelaatbaar is, waardoor de noodverordening rechtsgeldig blijft. Het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ondanks de schending van Duitse soevereiniteit.