ECLI:NL:PHR:2009:BH8662
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring medeplegen invoer cocaïne op Schiphol met verlaging straf
In deze strafzaak werd verdachte veroordeeld voor medeplegen van invoer van cocaïne op 29 maart 2003 via een koffer die op Schiphol werd onderschept. De koffer was ingecheckt in Caracas en bestemd voor een transitvlucht naar Dublin. Verdachte ontkende betrokkenheid en voerde aan dat het bewijs onvoldoende was, met name dat niet kon worden bewezen dat de koffer cocaïne bevatte.
Het hof baseerde zijn oordeel op verklaringen van betrokkenen, waaronder een medewerker van Schiphol die op uitkijk stond en de koffer volgde, alsmede op telefonische contacten tussen verdachte en anderen rondom de datum van de invoer. De verklaringen en het telefoonverkeer toonden aan dat verdachte een sleutelrol had in het smokkelen en het buiten het beveiligde gebied brengen van de koffer met cocaïne.
De verdediging stelde dat de verklaringen onvoldoende waren en dat de gesprekken over voetbal gingen, maar het hof achtte het bewijs, mede gezien de betalingen aan medewerkers en de inhoud van de gesprekken, wettig en overtuigend. De Hoge Raad oordeelde dat het hof voldoende gemotiveerd had waarom het bewijs werd aanvaard en dat er geen schending was van art. 359 lid 2 Sv Pro.
Wel werd het cassatiemiddel gegrond verklaard dat de redelijke termijn was overschreden, wat leidde tot verlaging van de straf. De Hoge Raad verwierp het overige cassatieberoep en bevestigde de bewezenverklaring en de betrokkenheid van verdachte bij de invoer van cocaïne.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot drie jaar en zes maanden gevangenisstraf voor medeplegen invoer cocaïne, met verlaging van de straf wegens overschrijding redelijke termijn.