ECLI:NL:PHR:2009:BI0455
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verwijtbaarheid bij tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling
De zaak betreft de tussentijdse beëindiging van een schuldsaneringsregeling van een schuldenaar die kampt met ernstige psychische problemen en persoonlijke omstandigheden. De rechtbank beëindigde de regeling vanwege het niet nakomen van sollicitatie- en informatieverplichtingen, ondanks de persoonlijke problemen van de schuldenaar. Het hof bekrachtigde dit oordeel, waarbij het niet beoordeelde of het niet nakomen verwijtbaar was, maar oordeelde dat de belemmering van de regeling voldoende was.
De schuldenaar kwam in cassatie met het middel dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had door niet te toetsen aan verwijtbaarheid, hetgeen volgens hem ontbrak vanwege zijn psychische toestand en omstandigheden. De Hoge Raad overwoog uitgebreid dat artikel 350 lid 3 sub c Faillissementswet Pro vereist dat het niet nakomen van verplichtingen verwijtbaar moet zijn om tot tussentijdse beëindiging te leiden.
De Hoge Raad verwees naar eerdere jurisprudentie en parlementaire geschiedenis en stelde dat niet-verwijtbaar gedrag niet tot beëindiging mag leiden. De uitspraak benadrukt dat bij het niet nakomen van informatie- en sollicitatieverplichtingen de schuldenaar een verwijt moet kunnen worden gemaakt. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor heroverweging met inachtneming van deze maatstaf.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd omdat verwijtbaarheid vereist is voor tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling wegens niet-nakoming.