ECLI:NL:PHR:2009:BI1375

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 juni 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/13570
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Nietig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 51 SvArt. 588 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging verstekvonnis wegens niet-naleving art. 51 Sv en terugwijzing naar hof

Verdachte werd bij verstek veroordeeld door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens diefstal. De raadsman van verdachte had zich schriftelijk als zodanig gesteld, maar er is geen bewijs dat hij de dagvaarding voor de terechtzitting heeft ontvangen. Hierdoor is het voorschrift van artikel 51, tweede lid Sv niet nageleefd.

De Hoge Raad stelt vast dat de brief waarin de raadsman zich stelt waarschijnlijk wel ter griffie van het hof is ontvangen, maar daar in het dossier is zoekgeraakt. Het ontbreken van een ontvangstbevestiging en het niet toezenden van de dagvaarding aan de raadsman leidt tot het ernstige vermoeden van niet-naleving van het voorschrift dat in het belang van verdachte is gegeven.

Dit betekent dat de zaak niet geldig kon worden behandeld buiten aanwezigheid van verdachte en diens raadsman, waardoor het onderzoek ter terechtzitting nietig is. Er is geen aanwijzing dat verdachte geen prijs stelde op bijstand of verdediging door een gemachtigde raadsman.

De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling in hoger beroep. Er is geen grond voor ambtshalve vernietiging van de uitspraak.

De procedure toont het belang van correcte processtukken en naleving van de rechten van verdachte, met name het recht op bijstand door een raadsman en correcte kennisgeving van de zitting.

Uitkomst: Het verstekvonnis wordt vernietigd wegens niet-naleving van art. 51 Sv en de zaak wordt terugverwezen naar het hof.

Conclusie

Nr. 07/13570
Mr. Knigge
Zitting: 14 april 2009
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 26 september 2006 verdachte bij verstek veroordeeld ter zake van diefstal tot een geldboete van € 150, -, subsidiair drie dagen hechtenis.
2. Namens verdachte heeft mr. O.O. van der Lee, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte de terechtzitting heeft doen aanvangen, althans arrest heeft gewezen, zonder dat de raadsman van verdachte, die zich voor de behandeling bij het Hof als zodanig had gesteld, een afschrift van de dagvaarding had ontvangen.
4. Uit stukken van het geding blijkt met betrekking tot de procesgang in deze zaak het volgende:
- verdachte heeft op 16 februari 2006 hoger beroep ingesteld tegen een te haren laste gewezen vonnis van de Politierechter in de Rechtbank 's-Gravenhage van 20 december 2005, parketnummer 09/530619-05;
- de dagvaarding voor de terechtzitting van 26 september 2006 is op 12 juli 2006 op voet van art. 588, eerste lid sub b onder 3e Sv uitgereikt aan de griffier aangezien de verdachte toen geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland had;
- ter terechtzitting van 26 september 2006 is verdachte noch haar raadsman verschenen;
- verdachte is op 26 september 2006 door het Hof bij verstek veroordeeld, tegen welke veroordeling zij op 7 december 2007 beroep in cassatie heeft ingesteld.
5. Aan de cassatieschriftuur is een brief gehecht van 22 maart 2006 van mr O.O. van der Lee aan de strafgriffie van het Hof, die inhoudt dat mr Van der Lee zich in hoger beroep voor de verdachte als raadsman stelt in de zaak met parketnummer 09/530619-05. Daarbij wordt gesteld: "Er is op 22 februari 2006 hoger beroep ingesteld tegen het verstekvonnis van de politierechter 's-Gravenhage d.d. 26 december 2005 (...)". Aan de cassatieschriftuur is tevens een stuk gehecht dat bestaat uit de inhoud van de stelbrief en uit een transactierapport van een fax-verzending, dat als resultaat "o.k." vermeldt. Daaruit valt af te leiden dat de stelbrief op 22 maart per fax aan de strafgriffie van het Hof is verzonden.(1)
6. Van een ontvangstbevestiging blijkt niet uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken, terwijl een dergelijke bevestiging ook niet aan de schriftuur is gehecht. Gelet op HR 19 september 2006, LJN AX9212 leveren de wél aan de schriftuur gehechte stukken voldoende grond op voor het ernstig vermoeden dat de stelbrief ter griffie van het Hof is ontvangen en daar vervolgens in het ongerede is geraakt. Ik heb mij nog afgevraagd of dit laatste het gevolg kan zijn geweest van een voor rekening van de verdachte komend misverstand, gewekt door de onjuiste vermelding in de stelbrief van de datum van het vonnis en de datum van het instellen van hoger beroep. Nu echter het parketnummer wel met juistheid is vermeld, terwijl uit het Justitieel Documentatieregister niet blijkt van een tegen de verdachte gewezen verstekvonnis d.d. 26 december 2005 van de Rechtbank 's-Gravenhage, meen ik dat dit niet het geval is. Relevante verschillen met het zojuist genoemde arrest van de Hoge Raad zie ik dus niet.
7. Uit de aan de Hoge Raad gezonden stukken kan niet blijken dat een afschrift van de appeldagvaarding of een andere kennisgeving over plaats en tijdstip van de zitting aan de raadsman is verzonden. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit derhalve het ernstige vermoeden voort dat ten aanzien van de dagvaarding het voorschrift vervat in de tweede volzin van art. 51 Sv Pro niet is nageleefd. Het niet naleven van dit in het belang van de verdachte gegeven voorschrift moet worden geacht in de weg te staan aan een geldige behandeling van de zaak ter terechtzitting buiten tegenwoordigheid van verdachte en diens raadsman. Het brengt mee dat het onderzoek ter terechtzitting aan nietigheid lijdt. Dit is slechts anders indien de rechter in redelijkheid mag aannemen dat verdachte er geen prijs op heeft gesteld ter zitting te verschijnen en aldaar door een raadsman te worden bijgestaan of in haar afwezigheid door een uitdrukkelijk gemachtigde raadsman het woord ter verdediging te laten voeren. In onderhavige zaak is hiervan niets gebleken.
8. Het middel is terecht voorgesteld.
9. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Mij is gebleken dat het vermelde faxnummer juist is.