ECLI:NL:PHR:2009:BI2250
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Nietigheid inleidende dagvaarding wegens onvoldoende onderzoek woon- of verblijfplaats verdachte
In deze zaak stond de geldigheid van de inleidende dagvaarding centraal. De verdachte was niet ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie en er was geen bekend feitelijke woon- of verblijfplaats. De dagvaarding werd aan de griffier uitgereikt, waarna de zaak bij verstek werd behandeld. De verdachte stelde hoger beroep in, maar verscheen niet.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof niet heeft onderzocht of de verdachte ten tijde van de betekening als gestrafte in een penitentiaire inrichting verbleef, wat als bekende verblijfplaats had moeten gelden. Verder was niet geprobeerd de dagvaarding te betekenen op een voor de hand liggend adres dat redelijkerwijs als woon- of verblijfplaats kon gelden, ondanks aanwijzingen dat de verdachte een oud adres bleef opgeven.
De Hoge Raad benadrukt dat het ontbreken van een inschrijving in de GBA niet automatisch betekent dat er geen bekende verblijfplaats is. Het hof had de dagvaarding niet als rechtsgeldig mogen beschouwen zonder dit onderzoek. Ook het niet verschijnen van de verdachte in hoger beroep betekent niet dat hij afstand heeft gedaan van het aanwezigheidsrecht in eerste aanleg.
Daarom wordt het arrest vernietigd en de inleidende dagvaarding nietig verklaard, behoudens voor zover het vonnis van de kantonrechter is vernietigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de inleidende dagvaarding nietig wegens onvoldoende onderzoek naar de verblijfplaats van de verdachte.