ECLI:NL:PHR:2009:BI2277
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over overschrijding redelijke termijn en ontvankelijkheid OM bij afpersingszaak
In deze zaak stond de vraag centraal of het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard moest worden wegens overschrijding van de redelijke termijn en de daarmee samenhangende verbleking van getuigenverklaringen. De verdachte was veroordeeld voor afpersing door het bedreigen van het slachtoffer en het laten opnemen of storten van geld. De verdediging voerde aan dat het lange tijdsverloop na het strafbare feit het herinneringsvermogen van getuigen en verdachte zodanig had aangetast dat een juiste feitenvaststelling niet meer mogelijk was, en dat dit tot niet-ontvankelijkheid van het OM moest leiden.
De Hoge Raad bevestigde dat de wettelijke mogelijkheid bestaat om in hoger beroep de tenlastelegging te wijzigen, mits dit geen ander feit betreft. De wijziging betrof toevoegingen zoals het opnemen of storten van geld, wat als ondergeschikt werd beschouwd. De Raad verwierp het verweer dat deze wijziging te laat was en dat de verdediging daardoor werd benadeeld.
Met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn stelde de Hoge Raad dat het recht op een behandeling binnen een redelijke termijn vooral de verdachte beschermt tegen te lang onder dreiging van vervolging leven. De verbleking van getuigenherinneringen is een ander belang dat een voortvarende behandeling vereist, maar dit leidt niet automatisch tot niet-ontvankelijkheid van het OM. Er was geen sprake van grove veronachtzaming of doelbewuste schending van procesorde door het OM. De Raad vernietigde het arrest van het hof voor wat betreft de strafoplegging vanwege termijnoverschrijding, maar verwierp het beroep voor het overige.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de strafoplegging wegens overschrijding van de redelijke termijn, maar verklaart het OM ontvankelijk en wijst het beroep voor het overige af.