ECLI:NL:PHR:2009:BI3413
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtsgeldigheid en bevoegdheid nevenzittingsplaatsen buiten ressort in strafzaken
Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Hof Arnhem, waarin de vraag centraal staat of het Hof bevoegd was om als nevenzittingsplaats van het Hof 's-Gravenhage buiten zijn ressort strafzaken te behandelen. Het middel betoogt dat de artikelen 7 en 8 van het Besluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen en het daarop gebaseerde Aanwijzingsbesluit megastrafzaken niet rechtsgeldig zijn omdat zij ontbreken aan een wettelijke basis in de Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO). Hierdoor zou artikel 6 EVRM Pro zijn geschonden omdat de verdachte niet is berecht door een "tribunal established by law".
De Hoge Raad bespreekt uitgebreid de wettelijke regeling omtrent nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen, de bevoegdheid van de Raad voor de rechtspraak en de Minister van Justitie, en de praktijk van het Landelijk Coördinatiecentrum Megazaken (LCM). Tevens wordt de voorgeschiedenis van de regelgeving behandeld, waaronder de ontwikkeling van nevenzittingsplaatsen in de Wet RO en de Vreemdelingenwet, en de jurisprudentie en rechtsleer omtrent de bevoegdheid en rechtsgeldigheid van zittingen buiten het ressort.
De conclusie is dat hoewel de artikelen 7 en 8 van het Besluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen gebaseerd zijn op wettelijke bepalingen, deze onvoldoende wettelijke grondslag bieden voor de aanwijzing van nevenzittingsplaatsen buiten het ressort. Dit leidt tot een spanningsveld tussen de praktijk van het behandelen van megastrafzaken buiten het ressort en de eisen van rechtsgeldigheid en het recht op berechting door een wettelijk ingesteld gerecht. De Hoge Raad overweegt dat het verbinden van nietigheid aan het buiten ressort houden van zittingen verstrekkende gevolgen heeft voor de rechtspraak en dat belangenafwegingen noodzakelijk zijn, mede gelet op de waarborgen van artikel 6 EVRM Pro.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat de wettelijke basis voor nevenzittingsplaatsen buiten het ressort onvoldoende is en dat dit kan leiden tot schending van artikel 6 EVRM.