Uitspraak
Beoordeling van het middel
29 april 1994.
Hoge Raad
In deze zaak heeft [verweerder] Edelsyndicaat Nederland B.V. gedagvaard voor de Kantonrechter te Leiden met een vordering tot betaling van ƒ 5.000,--. Edelsyndicaat heeft in haar conclusie van antwoord verweer gevoerd tegen de vordering en tevens een beroep gedaan op een arbitraal beding, stellende dat geschillen als deze aan arbitrage zijn onderworpen en de rechter dus onbevoegd is.
De Kantonrechter verklaarde zich onbevoegd en wees de zaak af. Op hoger beroep vernietigde de Rechtbank dit vonnis omdat Edelsyndicaat het beroep op het arbitraal beding pas na verweer ten gronde had gedaan, wat volgens de rechtbank niet voldeed aan de eis van art. 1022 Rv Pro dat onbevoegdheid "voor alle weren" moet worden ingeroepen.
De Hoge Raad oordeelt dat het beroep op onbevoegdheid wegens een arbitraal beding rechtsgeldig is indien het in de eerste schriftelijke conclusie van de gedaagde wordt gedaan, ook als dit na het verweer ten gronde is gesteld. De Hoge Raad vernietigt het vonnis van de Rechtbank en bekrachtigt het vonnis van de Kantonrechter. Tevens veroordeelt de Hoge Raad [verweerder] in de kosten van hoger beroep en cassatie.
Uitkomst: Het beroep op onbevoegdheid wegens arbitraal beding in de conclusie van antwoord is rechtsgeldig; het vonnis van de Kantonrechter wordt bekrachtigd.