ECLI:NL:PHR:2009:BI3719
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toerekening resultaat uit gemengde levensverzekering bij huwelijkse voorwaarden en terbeschikkingstellingsregeling
Belanghebbende, een belastingadviseur en aandeelhouder van een BV, sloot op 1 januari 1990 een gemengde levensverzekering af waarbij de BV als verzekeraar optrad. De verzekering kende een premiesplitsing waarbij belanghebbende de premie voor het levendeel betaalde en zijn echtgenote de premie voor het overlijdensrisicodeel. Het huwelijk was gesloten onder huwelijkse voorwaarden met een periodiek verrekenbeding, maar er had geen verrekening plaatsgevonden.
In 2001 bedroeg de waardeaangroei van de verzekering € 11.805, welke belanghebbende als resultaat uit overige werkzaamheden in zijn aangifte opnam. Hij stelde zich op het standpunt dat dit resultaat geheel of deels aan zijn echtgenote toerekenbaar was, gelet op haar economisch belang en het verdragsrechtelijk gelijkheidsbeginsel. Zowel de Rechtbank als het Hof verwierpen dit standpunt en wezen de aanslag toe aan belanghebbende.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het Hof dat de echtgenote slechts verzekeringnemer is voor het overlijdensrisicodeel en niet het bestuur heeft over het levendeel van de polis. Het overlijdensrisicodeel heeft geen spaardeel en wordt niet als ter beschikking gesteld vermogen aan de BV aangemerkt. Het verrekenbeding heeft slechts verbintenisrechtelijke werking en leidt niet tot toerekening van het resultaat aan de echtgenote. Het verdragsrechtelijk gelijkheidsbeginsel biedt geen grond voor een andere toerekening. De klachten van belanghebbende worden ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het resultaat uit de waardeaangroei van de gemengde levensverzekering wordt volledig toegerekend aan belanghebbende en niet aan zijn echtgenote.