ECLI:NL:HR:2008:BD9390
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- C. Schaap
- J.W.M. Tijnagel
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van discriminatieverweer tegen regeling eigenwoningschuld in Wet IB 2001
Belanghebbende had voor het jaar 2005 een voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd gekregen, die na bezwaar en ambtshalve vermindering werd gehandhaafd door de Rechtbank Haarlem. Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen deze uitspraak.
De kern van het geschil betrof de vraag of de regeling in artikel 3.123a Wet IB 2001, die een aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld mogelijk maakt, in strijd is met internationale discriminatieverboden zoals artikel 26 IVBPR Pro en artikel 14 EVRM Pro in verbinding met protocollen bij het EVRM. De Rechtbank had dit ontkennend beantwoord.
De Hoge Raad bevestigde dat niet iedere ongelijke behandeling een verboden discriminatie inhoudt, maar alleen die zonder redelijke en objectieve rechtvaardiging. De wetgever heeft een ruime beoordelingsvrijheid op fiscaal terrein en het oordeel van de wetgever verdient eerbiediging tenzij het van redelijke grond ontbloot is.
Gezien de bedoeling van de wetgever om eigen financiering van de woning te stimuleren, oordeelde de Hoge Raad dat de regeling niet in strijd is met genoemde verdragsbepalingen. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard en er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.