ECLI:NL:PHR:2009:BI4060
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest wegens niet-motivering verwerping niet-strafbaarheid rijbewijsverweer
Verdachte werd door het hof veroordeeld voor overtreding van artikel 9, zevende lid, en artikel 107, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Namens verdachte werden vijf cassatiemiddelen ingediend. De Hoge Raad oordeelde dat het hof op straffe van nietigheid een met redenen omklede beslissing had moeten geven op het verweer dat verdachte niet strafbaar was op grond van artikel 108, eerste lid, onder h, WVW1994. Dit verweer werd door het hof kennelijk verworpen zonder motivering, wat onjuist is.
De Hoge Raad overwoog dat het beroep op niet-strafbaarheid een gemotiveerde afwijzing vereist volgens artikel 358 lid 3 jo Pro. 359 lid 2 Sv. Verder werd het verweer inhoudelijk besproken, waarbij werd vastgesteld dat het Duitse rijbewijs van verdachte uit 2004 niet viel onder de geldigheidsduur van tien jaar na afgifte zoals bedoeld in artikel 108 WVW1994. Hierdoor had verdachte geen belang meer bij vernietiging van het arrest.
De overige middelen faalden, waaronder het middel over uitlokking door teruggeven van de autosleutel en het middel over strafmotivering. De Hoge Raad wees ook op overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, wat tot strafvermindering leidt. Uiteindelijk vernietigde de Hoge Raad het arrest slechts voor wat betreft de strafhoogte en verlaagde deze naar de gebruikelijke maatstaf, terwijl het beroep in cassatie verder werd verworpen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor wat betreft de strafhoogte en verminderd, het beroep wordt verder verworpen.