ECLI:NL:PHR:2009:BI6323
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Kennelijk onredelijk ontslag wegens gevolgen op werknemer met arbeidsongeschiktheid
De zaak betreft een werknemer die sinds 1975 in dienst was bij een bedrijf en werkzaam was in een productieproces met blootstelling aan oplosmiddelen. Vanaf 1999 werd hij volledig arbeidsongeschikt verklaard en kreeg aangepast werk aangeboden. In 2004 werd zijn arbeidsovereenkomst opgezegd na toestemming van het CWI. De werknemer startte een procedure wegens kennelijk onredelijk ontslag op grond van artikel 7:681 BW Pro en vorderde een schadevergoeding.
Het hof oordeelde dat ook als niet bewezen is dat de arbeidsongeschiktheid direct door het werk is veroorzaakt, de omstandigheden waaronder het ontslag plaatsvond zodanig waren dat een schadevergoeding van €30.000 billijk was. Het hof nam mee dat de werknemer langdurig was blootgesteld aan oplosmiddelen, aanzienlijke inkomensdaling leed, beperkte kansen had op ander werk vanwege leeftijd en arbeidsongeschiktheid, en jarenlang in onzekerheid verkeerde over de gevolgen van de blootstelling.
De Hoge Raad toetste het oordeel van het hof en besprak de stelplicht en bewijslast van de werknemer, de beoordeling van het gevolgencriterium, en de grenzen van de feitelijke grondslag van de rechtsstrijd. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof vanwege het betrekken van omstandigheden die niet door de werknemer waren gesteld, en verwees de zaak terug voor hernieuwde beoordeling binnen de grenzen van de rechtsstrijd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling binnen de rechtsstrijd.