ECLI:NL:PHR:2009:BJ1258
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beëindiging schuldsaneringsregeling wegens verwijtbaar niet nakomen verplichtingen
Verzoekers tot cassatie waren onderworpen aan een schuldsaneringsregeling die door de rechtbank Rotterdam was vastgesteld. Het hof 's-Gravenhage heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd waarbij de schuldsanering tussentijds werd beëindigd op grond van artikel 350, lid 3, sub c van de Faillissementswet wegens verwijtbaar niet nakomen van verplichtingen.
De verzoekers voerden drie cassatiemiddelen aan, waaronder het betoog dat de bewindvoerder zich onrechtmatig door een ander liet vertegenwoordigen en dat het hof onvoldoende acht zou hebben geslagen op relevante stukken. Deze middelen werden door de Hoge Raad verworpen wegens gebrek aan feitelijke grondslag en onvoldoende onderbouwing.
Het hof had terecht geoordeeld dat verzoekers ernstig tekort waren geschoten in hun informatieplicht en afdrachtplicht, ondanks een aanbod van derden om een bedrag in de boedel te storten. De Hoge Raad bevestigde dat voor tussentijdse beëindiging van de regeling verwijtbaarheid volstaat, zonder dat een ernstig verwijt vereist is.
Ten slotte oordeelde de Hoge Raad dat de benoeming van een rechter-commissaris en curator in het faillissement niet onder artikel 6 EVRM Pro valt. Het beroep tot cassatie werd verworpen, waardoor het tussentijdse einde van de schuldsaneringsregeling en het faillissement ongewijzigd bleven.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling wordt bevestigd.