ECLI:NL:PHR:2009:BJ3717

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 oktober 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/03702 P
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling en motivering van de schatting van wederrechtelijk verkregen voordeel bij profijtontneming

In deze zaak stond de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, dat de veroordeelde moest ontnemen aan de Staat. Het hof had het bedrag vastgesteld op €6.937,53, gebaseerd op een percentage van 10% van het totale voordeel van de criminele organisatie gedurende de drie maanden dat de veroordeelde intensief betrokken was. Deze berekening volgde de berekening van de officier van justitie, hoewel in diens conclusie een bedrag van €7.500 werd genoemd, dat berustte op een rekenfout.

Het hof motiveerde zijn schatting door te wijzen op de rol van de veroordeelde als een belangrijke spil binnen de organisatie, bekend als 'probleemoplosser' en een van de meest gewelddadige leden met toegang tot de handelsvoorraad. Het hof achtte het aannemelijk dat de diensten van de veroordeelde hem een bepaald percentage van het totale wederrechtelijk verkregen voordeel opleverden.

De Hoge Raad oordeelde dat de uitleg van het hof over de berekening niet onbegrijpelijk was en dat de schatting van het voordeel toereikend gemotiveerd was. De Hoge Raad verwierp het middel dat klaagde over de rekenfout en bevestigde daarmee het vonnis van het hof.

De zaak benadrukt het belang van een duidelijke en onderbouwde motivering bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel en bevestigt dat een schatting, mits goed gemotiveerd, toereikend kan zijn voor profijtontneming.

Uitkomst: De veroordeelde is verplicht €6.937,53 aan wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat te betalen.

Conclusie

Nr. 08/03702 P
Mr. Machielse
Zitting 7 juli 2009 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[Betrokkene]
1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft aan betrokkene op 22 februari 2008 de verplichting opgelegd om aan de Staat een bedrag te betalen van € 6.937,53 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
2. Mr. P.J. Silvis, advocaat te Schiedam, heeft cassatie ingesteld. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.
3.1. Het middel klaagt dat het hof bij de vaststelling van het te ontnemen bedrag de berekening van de officier van justitie heeft gevolgd, maar dat in navolging van de officier van justitie ook het hof daarin een misrekening heeft gemaakt.
3.2. Het arrest van het hof houdt het volgende in:
"Motivering van de op te leggen maatregel
Het hof neemt als uitgangspunt dat de veroordeelde samen met anderen bij voornoemd arrest onder meer is veroordeeld voor handel in verdovende middelen en deelneming aan een criminele organisatie die - onder meer - handelde in drugs. Voorts heeft het hof acht geslagen op het financiële verslag van de Politie Rotterdam-Rijnmond, proces-verbaal nummer 1009-05 (onderzoek Schie), d.d. 29 augustus 2005, opgesteld door [verbalisant 1].
Naar het oordeel van het hof is het aannemelijk dat het door de organisatie als wederrechtelijk verkregen voordeel minimaal € 323.751,50 beloopt en dat dit bedrag werd verdeeld tussen de leidinggevende [medebetrokkene 1] en de deelnemer [medebetrokkene 2]. Voorts dat de overige deelnemers een vergoeding kregen al naar gelang van de bewezen diensten, behalve [betrokkene]. Zijn deel in het wederrechtelijk verkregen voordeel moet naar het oordeel vàn het hof dan ook worden vastgesteld aan de hand van de rol van de verdachte in de organisatie en de periode gedurende welke hij aan de organisatie heeft deelgenomen.
Blijkens verklaringen van de deelnemers van de organisatie staat [betrokkene] bekend als de "probleemoplosser" en was hij een van de meest gewelddadige leden van de organisatie. Voorts had hij als een van de weinigen toegang tot de in de kluis aanwezige handelsvoorraad. Het hof is derhalve van oordeel dat de veroordeelde meer dan een ondergeschikte rol in de organisatie speelde en acht het aannemelijk dat de door de veroordeelde geleverde diensten aan de organisatie hem een bepaald percentage van het totaal wederrechtelijk verkregen voordeel heeft opgeleverd.
Voor het bepalen van het door de veroordeelde verkregen percentage van het wederrechtelijk verkregen voordeel volgt het hof de berekening van de officier van justitie.
Het hof acht een percentage van 10% van het totaal door de organisatie wederrechtelijk verkregen voordeel, gedurende de drie maanden dat de veroordeelde zich intensief met de organisatie bezighield, aannemelijk.
Het hof komt dan tot de volgende berekening:
3/14 x 10% X € 323.751,50 = € 6.937,53.
Gelet op bovenstaande stelt het hof het bedrag waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat vast op € 6.937,53.
Het hof zal tevens de veroordeelde de verplichting opleggen het bedrag waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat aan de Staat te betalen."
3.3. De conclusie van eis van de officier houdt onder meer het volgende in:
"Gesteld kan worden dat de opbrengst van de organisatie verdeeld wordt tussen [medebetrokkene 1] en [medebetrokkene 2] en dat ook [betrokkene] gedurende de periode dat hij zich intensiever zich met de organisatie (gesteld kan worden dat dit drie maanden betrof) bezig hield ( "[...] "is er voor de gewelddadige controle op de leden) in de opbrengst van de organisatie deelde.
Een verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de organisatie over [medebetrokkene 1] (leidinggevende) en [medebetrokkene 2] (deelnemer) in de verhouding 75% - 25% acht ik een juiste verdeling.
Een opbrengst van 10% in mindering te brengen op aandeel [medebetrokkene 1], wiens maatje [betrokkene] is, ten behoeve van het aandeel van [betrokkene] een redelijke inschatting.
Conclusie
Het wederrechtelijk voordeel van [betrokkene] dient gesteld te worden op 7500 euro - gedurende drie maanden 10% van het wederrechtelijk verkregen aandeel van [medebetrokkene 1]."
3.4. Volgens de steller van het middel heeft de officier het voordeel voor betrokkene willen bepalen op 10 procent van het voordeel dat [medebetrokkene 1] gedurende drie maanden genoten zou hebben. De inhoud van de 'conclusie' in de conclusie van eis van de officier wijst daar enerzijds op, maar anderzijds komt de officier tot een bedrag van € 7.500,00, hetgeen in strijd is met deze uitleg. De conclusie van eis gaat ervan uit dat verdachte gedurende drie maanden in ieder geval een belangrijke spil in de organisatie was en daarom in de opbrengst van de organisatie deelde. De door de officier voorgestelde verdeling kan ook zo worden gelezen dat 10 procent van het voordeel van de organisatie gedurende een periode van drie maanden aan betrokkene toekwam zodat voor [medebetrokkene 1] nog 65 procent overbleef.
Het hof heeft klaarblijkelijk de berekening in de conclusie van eis aldus verstaan dat betrokkene gedurende drie maanden voordeel heeft genoten en wel tot 10 procent van het totaal. Uitdrukkelijk heeft het hof de eigen berekening ook zo geformuleerd. Ik ga er daarom van uit dat hetgeen als 'conclusie' in de conclusie van eis van de officier van justitie is verwoord door het hof als een vergissing is beschouwd. Die uitleg acht ik niet onbegrijpelijk.
Het middel faalt.
4. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden