ECLI:NL:PHR:2009:BJ7331
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitleg aandeelhoudersovereenkomst bij uitkoop arbeidsongeschikte aandeelhouder
In deze zaak stond centraal de uitleg van een aandeelhoudersovereenkomst omtrent de uitkoop van een aandeelhouder die arbeidsongeschikt is geworden. Twee aandeelhouders hadden de derde aandeelhouder uit de vennootschap gezet, waarbij discussie ontstond over de juiste berekeningsgrondslag van de koopprijs van diens aandelen.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof dat de arbeidsongeschiktheid van de aandeelhouder reeds ruim vóór het uitkoopmoment was ingetreden, namelijk vanaf 2 februari 2000. Dit betekende dat de uitkoopprijs berekend moest worden op basis van de volle waarde van de vennootschap, zoals bepaald in artikel 6 lid 3 sub c van Pro de aandeelhoudersovereenkomst, en niet op basis van de lagere intrinsieke waarde.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat de bepalingen in de aandeelhoudersovereenkomst die een hogere koopprijs bij arbeidsongeschiktheid regelen, niet worden uitgehold door het feit dat de andere aandeelhouders de samenwerking beëindigen op grond van incompatibilité d'humeur of non-performance. Ook werd bevestigd dat de rechter feiten die niet voldoende zijn betwist als vaststaand moet aannemen, waarbij het hof terecht oordeelde dat de betwisting onvoldoende was gemotiveerd.
Ten slotte stelde de Hoge Raad dat de regeling in de aandeelhoudersovereenkomst omtrent de koopprijs niet in strijd is met de dwingendrechtelijke bepalingen van artikel 2:195a BW, omdat deze alleen op statuten ziet en niet op overeenkomsten tussen aandeelhouders die allen met de regeling hebben ingestemd.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt dat de koopprijs van de aandelen berekend moet worden op basis van de volle waarde vanwege arbeidsongeschiktheid die ruim vóór het uitkoopmoment is ingetreden.