ECLI:NL:GHSGR:2008:BF0190
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- M.Y. Bonneur
- L.M. Croes
- R. van der Vlist
- Rechtspraak.nl
Uitstoot aandeelhouder en waardebepaling aandelen bij arbeidsongeschiktheid volgens aandeelhoudersovereenkomst
In deze zaak staat de gedwongen uitkoop van aandelen van Ramsley B.V. aan de orde, waarbij de arbeidsongeschiktheid van [OJ] centraal staat. Ramsley c.s. stelde dat de uitkoopprijs op basis van de aandeelhoudersovereenkomst (AHO) hoger moest zijn, namelijk 70% van de volle waarde van de vennootschap, omdat [OJ] op het moment van uitkoop arbeidsongeschikt was. J-Holding c.s. betwistte dit en stelde dat de uitkoopprijs gebaseerd moest zijn op de intrinsieke waarde.
Het hof heeft vastgesteld dat [OJ] reeds vanaf begin 2000 arbeidsongeschikt was, wat voldoende onderbouwd werd met medische rapporten en huisartsendocumentatie. De arbeidsongeschiktheid leidde ertoe dat de uitkoopprijs volgens artikel 6 lid 3 sub c van Pro de AHO berekend moest worden op 70% van de volle waarde, en niet op de intrinsieke waarde zoals J-Holding c.s. betoogde.
Verder oordeelde het hof dat de regeling in artikel 2:195a BW niet leidde tot nietigheid van de lagere waarderingsregeling in de aandeelhoudersovereenkomst, omdat deze dwingendrechtelijke bepaling alleen ziet op statuten en niet op overeenkomsten waarvoor alle aandeelhouders hebben ingestemd. De vorderingen van Ramsley c.s. werden daarom deels toegewezen tot een bedrag van circa €1.689.154,65 aan Toog B.V. en [B. BV] en circa €10.754,59 aan J-Holding, met wettelijke rente vanaf 2 mei 2001.
Uitkomst: Het hof veroordeelt Toog B.V. en [B. BV] tot betaling van €1.689.154,65 en J-Holding tot betaling van €10.754,59 aan Ramsley c.s., met wettelijke rente vanaf 2 mei 2001.