ECLI:NL:PHR:2009:BJ7543
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Herziening veroordeling wegens onbetrouwbare geuridentificatieproef bij diefstal
De zaak betreft een veroordeling door de Rechtbank Zutphen van een verdachte wegens diefstal van een geldbedrag van €4500, gepleegd op 12 juli 2004. De veroordeling was mede gebaseerd op een geuridentificatieproef uitgevoerd door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland op 19 mei 2005. De proef toonde een geurovereenkomst tussen geurmonsters van een kruk waarop een dader had gezeten en geurdragers die de verdachte had vastgehouden.
De verdachte heeft de betrokkenheid bij de diefstal steeds ontkend en de betrouwbaarheid van de geuridentificatieproef bestreden. In eerdere jurisprudentie (HR 22 april 2008, LJN BC9637) heeft de Hoge Raad vastgesteld dat geurproeven in de periode september 1997 tot en met maart 2006 door deze dienst in strijd met voorschriften zijn uitgevoerd, waardoor het resultaat niet als voldoende betrouwbaar kan gelden.
De Hoge Raad oordeelt dat zonder de geuridentificatieproef onvoldoende bewijs bestaat voor de bewezenverklaring van de diefstal. Er is een ernstig vermoeden dat de rechtbank tot vrijspraak zou zijn gekomen indien zij bekend was geweest met de onbetrouwbaarheid van de proef. Daarom verklaart de Hoge Raad de aanvraag tot herziening gegrond, beveelt opschorting van de tenuitvoerlegging van het vonnis en verwijst de zaak terug naar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch voor hernieuwde berechting.
De zaak benadrukt het belang van correcte uitvoering van forensisch onderzoek en de gevolgen van onbetrouwbare bewijsmiddelen voor strafrechtelijke veroordelingen.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de herzieningsaanvraag gegrond en verwijst de zaak terug naar het gerechtshof voor hernieuwde berechting.