ECLI:NL:PHR:2009:BJ8337
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid werkgever bij arbeidsongeval door instorting dak na doorslijpen trekstangen
In deze zaak staat de aansprakelijkheid van een werkgever centraal na een arbeidsongeval waarbij een werknemer ernstig letsel opliep door het instorten van een betonnen dak. De werknemer had in opdracht van de werkgever trekstangen doorgeslepen, waardoor het dak instortte. De werkgever werd aansprakelijk gehouden omdat zij niet had voldaan aan haar zorgplicht door de werknemer niet adequaat te waarschuwen voor het instortingsgevaar.
De werkgever voerde in hoger beroep aan dat de werknemer bewust het risico had genomen en dat het causaal verband tussen het niet waarschuwen en de schade ontbrak, omdat de werknemer de trekstangen ook zonder waarschuwing zou hebben doorgeslepen. Het hof oordeelde echter dat de werkgever niet had bewezen dat de werknemer zich bewust was van het instortingsgevaar en dat de zorgplicht was geschonden.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep van de werkgever niet-ontvankelijk omdat het beroep was ingesteld tegen een tussenvonnis waartegen geen tussentijds cassatieberoep openstond. De Hoge Raad gaf wel een inhoudelijk oordeel waarin werd bevestigd dat de werkgever aansprakelijk is, mede omdat de werknemer onvoldoende bewust was van het gevaar en de werkgever tekort was geschoten in haar zorgplicht. De procedure leidde tot vertraging in de schadevergoeding, wat triest werd genoemd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de werkgever is niet-ontvankelijk verklaard, waarbij de aansprakelijkheid van de werkgever voor het arbeidsongeval is bevestigd.