ECLI:NL:PHR:2009:BJ8566

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 november 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
01173/07 P
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Nietig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 SvArt. IV lid 3 Procesreglement Strafkamer Hoge Raad 2008
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens ontbreken pleitnotities en terugwijzing zaak

In deze zaak heeft het Gerechtshof te Amsterdam verdachte veroordeeld tot betaling van wederrechtelijk verkregen voordeel. Bij de Hoge Raad is cassatie ingesteld tegen dit arrest. Een belangrijk punt in cassatie betrof het ontbreken van de pleitnotities die tijdens de terechtzitting in hoger beroep op 31 mei 2006 zouden zijn gebruikt.

De stukken die aan de Hoge Raad waren gezonden, bevatten deze pleitnotities niet, waardoor niet kon worden vastgesteld of er meer verweren waren gevoerd dan in het bestreden arrest vermeld. De advocaat van verdachte had binnen de wettelijke termijn een verzoek ingediend om de ontbrekende pleitnota te verkrijgen, maar deze is niet teruggevonden.

De Hoge Raad oordeelde dat dit ontbreken leidt tot nietigheid van het onderzoek en de daarop gebaseerde uitspraak. Daarom werd het bestreden arrest vernietigd en de zaak terugverwezen naar het hof te Amsterdam voor een nieuwe behandeling van het beroep op basis van de bestaande stukken.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens ontbreken van pleitnotities en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Conclusie

Nr. 01173/07 P
Mr. Machielse
Zitting 22 september 2009
Conclusie inzake:
[Betrokkene=verdachte](1)
1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft verdachte op 14 juni 2006 bij afzonderlijk arrest de verplichting opgelegd aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag te betalen van EUR 3.630,24.
2. Mr. D. Rupert, advocaat te Amsterdam, heeft cassatie ingesteld. Mr. G.A. Jansen, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.
3.1. Het middel klaagt dat de ter terechtzitting in hoger beroep van 31 mei 2006 overgelegde pleitnota ontbreekt bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken, hetgeen tot vernietiging behoort te leiden.
3.2. Onder de bij de Hoge Raad ontvangen stukken bevindt zich een pleitnota die kennelijk ter terechtzitting in hoger beroep van 10 mei 2005 is voorgedragen. Daarna heeft het hof op 24 mei 2005 een tussenarrest gewezen, waarna op 31 mei 2006 het onderzoek ter terechtzitting opnieuw is aangevangen. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt het volgende in:
"De advocaat voert het woord tot verdediging aan de hand van haar pleitnotities, die door haar aan het hof worden overgelegd en waarvan de inhoud als hier ingevoegd geldt. De advocaat voert daarbij het verweer als weergegeven in het arrest."
3.3. Een raadsman die bevindt dat de processtukken niet volledig zijn, moet binnen de in art. 437, tweede lid, Sv genoemde termijn schriftelijk een verzoek om aanvulling indienen bij de rolraadsheer (vgl. HR 15 juni 2004, LJN AO8819, NJ 2004, 465 en - thans ook - art. IV lid 3 van het Procesreglement van de Strafkamer van de Hoge Raad 2008, Stcrt. 147). In het onderhavige geval heeft de advocaat zich per brief van 22 juni 2007 - en dus nog binnen de in art. 437 lid 2 Sv Pro bepaalde termijn - tot de griffier van de Hoge Raad gewend met het verzoek haar de ontbrekende pleitnota te doen toekomen. De pleitnota van 31 mei 2006 is echter niet opgedoken, zodat het middel slaagt.
4. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad het bestreden arrest zal vernietigen en de zaak zal terugwijzen naar het gerechtshof te Amsterdam teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Deze zaak hangt samen met de zaak tegen dezelfde verdachte nr. 01157/07 waarin ik ook vandaag concludeer.