ECLI:NL:PHR:2009:BJ8651

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 november 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/00830 H
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 467 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening wegens persoonsverwisseling bij poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen

De politierechter te Arnhem heeft aanvrager bij verstek veroordeeld wegens poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen gepleegd op 19 januari 2001. Aanvrager stelde dat een ander, betrokkene 1, zich destijds heeft uitgegeven als aanvrager, wat heeft geleid tot een onterechte veroordeling.

De aanvraag tot herziening is gebaseerd op een proces-verbaal van verhoor van betrokkene 1, waarin hij verklaart dat hij destijds een valse naam heeft opgegeven en zich heeft voorgedaan als aanvrager. Verder onderzoek naar lichaamslengtes en handtekeningen ondersteunt het vermoeden van persoonsverwisseling.

De Hoge Raad concludeert dat de politie niet op behoorlijke wijze de identiteit van de aangehouden persoon heeft vastgesteld en dat de handtekening van de aangehouden persoon afwijkt van die van aanvrager. Dit levert ernstige aanwijzingen op voor persoonsverwisseling.

Gelet op deze feiten acht de Hoge Raad de aanvraag gegrond en beveelt opschorting van de tenuitvoerlegging van het vonnis. De zaak wordt verwezen naar het Gerechtshof te Arnhem voor behandeling volgens art. 467 Sv Pro.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening gegrond wegens persoonsverwisseling en verwijst de zaak naar het gerechtshof.

Conclusie

Nr. 08/00830 H
Mr. Fokkens
Zitting: 22 september 2009
Conclusie inzake:
[Aanvrager]
1. De politierechter te Arnhem heeft aanvrager bij onherroepelijk vonnis van 17 januari 2003 bij verstek veroordeeld wegens poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, gepleegd op 19 januari 2001, tot een gevangenisstraf voor de duur van een maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren alsmede tot een werkstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis. Voorts heeft de politierechter beslissingen genomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en aan aanvrager een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het vonnis bepaald.
2. Mr. R.F. Vogel, advocaat te Almere, heeft namens [aanvrager] een aanvrage tot herziening ingediend die blijkens het daarop door de griffie geplaatste stempel op 21 februari 2008 bij de Hoge Raad is binnengekomen. De aanvrage berust op de stelling dat een ander, te weten [betrokkene 1], geboortedatum [geboortedatum] 1975, na aanhouding een valse naam aan de politie heeft opgegeven en zich voor aanvrager heeft uitgegeven, als gevolg waarvan aanvrager ten onrechte is veroordeeld.
3. Het bewijsmiddel waaruit deze omstandigheid volgens aanvrager kan blijken is als bijlage bij de aanvraag gevoegd. Deze bijlage betreft het volgende:
- een proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 1] van 31 juli 2007 (PL26S1/07-037533), inhoudende onder meer en voor zover hier van belang als volgt:
"V: Je stond gesignaleerd in verband met een poging inbraak in een bedrijfspand in 2001. Hierover wordt je nader gehoord, omdat je destijds een valse naam hebt opgegeven. Begrijp je dat?
A: ja
V: In het proces-verbaal staat de naam [van aanvrager], geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats] en woonachtig op de [a-straat 1] te [woonplaats]. Wie is dit?
A: dat is mijn broer.
V: Was jou broer destijds betrokken bij de poging inbraak in dat bedrijfspand?
A: Nee, hij was er niet bij.
V: Wie waren er dan wel bij betrokken?
A: Ik, [betrokkene 1], en mijn broertje [betrokkene 2].
V: waarom heb je de identiteitsgegevens van je broer [aanvrager] opgegeven aan de politie in verband met die poging inbraak?
A: Omdat ik toen ik (lees: in, JWF) de auto zat en ik niet in het bezit ben van een rijbewijs.
V: Wist je broer [aanvrager] dat je zijn gegevens opgaf aan de politie?
A: Toendertijd wist hij dat niet. Mijn broer heeft begin 2007 1 maand vastgezeten voor deze poging inbraak. Ik zat toen vast voor een andere zaak en ik hoorde later van mijn broer [aanvrager] dat hij voor deze zaak heeft gezeten. Van mijn broer moest ik de waarheid zeggen, want hij wilde zijn naam zuiveren. Hij had hier niks mee te maken.
V: Heeft je broer wel een strafblad?
A: Nee, maar dankzij mij en mijn broer wel, omdat wij af en toe zijn naam opgeven."
4. Voorts wordt er in de aanvrage op gewezen dat uit het proces-verbaal van politie blijkt dat betrokkenen zich tegenover de politie niet hebben gelegitimeerd, zodat hun identiteit niet op behoorlijke wijze vastgesteld is kunnen worden.
5. Het proces-verbaal van aanhouding vermeldt niet dat de aangehouden persoon zich heeft gelegitimeerd ten overstaan van de politie. Voorts is op het gegevensblad van de aangehouden persoon (p. 17 proces-verbaal) onder meer vermeld dat een GBA-nummer onbekend is en dat de personalia geverifieerd zijn. Niet blijkt op welke wijze dit zou zijn geschied. Evenmin blijkt wat de uitkomst van de verificatie is. In het dossier bevindt zich een GBA-formulier (p. 21 proces-verbaal) waarin naar aanleiding van de naam [achternaam aanvrager] is vermeld 'Persoon komt niet voor'.
6. Naar aanleiding van de aanvrage is aan het College van Procureurs-Generaal verzocht een nader onderzoek te doen verrichten. De resultaten van dat onderzoek zijn op 18 juni 2009 ontvangen.
7. Tot de in het kader van dat onderzoek verzamelde stukken behoort een door [aanvrager] ondertekende Kopie aanvraag reisdocument van 15 januari 2004 bij de gemeente Almere. De handtekening op die kopie is anders dan de handtekeningen op de in het proces-verbaal van 20 januari 2001 weergegeven verklaring van de aangehouden persoon die als naam [achternaam aanvrager] heeft opgegeven.
8. Voorts is bij de stukken gevoegd een onderzoek naar de lichaamslengtes van de drie betrokkenen. Dit onderzoek heeft het volgende opgeleverd. Getuige [getuige 1] heeft bij de op 19 januari 2001 gehouden spiegelconfrontatie met de aangehouden persoon die als naam [achternaam aanvrager] heeft opgegeven, verklaard dat de man met wie hij geconfronteerd werd de kleinste was van de twee. Op de aanvragen reisdocumenten staat vermeld:
[Aanvrager]: lengte 1,80 m;
[Betrokkene 1]: lengte 1,89 m;
[Betrokkene 2]: lengte 1,78 m.
Voorts vermeldt het proces-verbaal (p. 2):
Op de signalementen van de herkenningsdienst staat vermeld:
[Aanvrager], lengte 1,90 m. (registratiedatum 25-03-1996);
[Betrokkene 1], lengte 1,89 m (registratiedatum 14-12-2008);
[Betrokkene 2], lengte 1,79 m (registratiedatum 24-04-2006).
Deze gegevens geven geen steun aan de stelling in de aanvrage dat [betrokkene 1] destijds is aangehouden en zich heeft uitgegeven als aanvrager. [Betrokkene 1] is volgens deze gegevens immers 10 centimeter langer dan de mededader [betrokkene 2] en zou daarom bezwaarlijk door de getuige [getuige 2] kunnen zijn aangewezen als de kleinste van de twee. De vraag is echter of daaraan veel betekenis moet worden gehecht nu ook [aanvrager] volgens deze gegevens groter is dan [betrokkene 2] en dus ook niet als de kleinste zou kunnen zijn aangewezen.
9. Voorts vermeld ik dat er een brief van de raadsman van aanvrager van 18 augustus 2009 is binnengekomen bij de Hoge Raad met het verzoek nogmaals te trachten [betrokkene 2] te doen horen, onder vermelding van diens postadres en telefoonnummer. Het proces-verbaal van onderzoekshandelingen van 20 mei 2009 houdt onder meer in dat pogingen [betrokkene 2] nader te horen geen resultaat hebben opgeleverd. In aanmerking genomen dat ik gelet op de voorhanden zijnde stukken concludeer tot gegrondverklaring van de aanvrage, meen ik dat aan dit verzoek geen gevolg moet worden gegeven.
10. Ik kom tot de conclusie dat de inhoud van het bij de aanvrage overgelegde proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 1], bezien in combinatie met de omstandigheid dat destijds de aangehouden persoon die als naam [achternaam aanvrager] heeft opgegeven, zich kennelijk niet heeft gelegitimeerd en de omstandigheid dat de door de aangehouden persoon gezette handtekening enigermate afwijkt van de handtekening van [aanvrager], ernstige aanwijzingen oplevert dat in deze zaak sprake is geweest van een persoonsverwisseling. Een en ander levert het ernstig vermoeden op dat de politierechter, indien hij met deze feiten en omstandigheden bekend was geweest, de aanvrager van het hem tenlastelegde zou hebben vrijgesproken.
11. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvrage gegrond zal verklaren, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van de in de aanvrage vermelde uitspraak zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te Arnhem, opdat de zaak zal worden behandeld en afgedaan op de wijze als in art. 467, eerste lid, Sv is voorzien.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden