ECLI:NL:PHR:2009:BJ9620
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over motiveringseis van beroepschrift in belastingzaak en ontvankelijkheid
In deze zaak stond centraal of de Rechtbank Haarlem terecht het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het ontbreken van de gronden van het beroep zoals vereist in artikel 6:5, lid 1, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen een aanslag inkomstenbelasting 2004, dat door de Inspecteur niet-ontvankelijk werd verklaard wegens onvoldoende motivering. Het daaropvolgende beroepschrift verwees slechts summier naar de belastingcontrole die nog liep en bevatte geen nadere motivering binnen de gestelde termijn. De Rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk en wees het verzet daartegen af.
De Hoge Raad benadrukte dat aan de motiveringseis van het beroepschrift geen hoge eisen worden gesteld en dat een summiere motivering, zeker indien het beroepschrift samen met de uitspraak op bezwaar wordt gelezen, kan volstaan om de gronden van het beroep kenbaar te maken. De rechtbank had het onderzoek moeten voortzetten en de Inspecteur om een verweerschrift moeten verzoeken. De niet-ontvankelijkverklaring was onterecht.
De conclusie van de Advocaat-Generaal strekt ertoe het beroep in cassatie te verklaren gegrond en het onderzoek te hervatten. De zaak illustreert de beschermende werking van het bestuursprocesrecht voor belastingplichtigen en de noodzaak van een ruime interpretatie van motiveringseisen.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie gegrond en vernietigt de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep door de Rechtbank.