ECLI:NL:PHR:2009:BJ9626
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over tijdige indiening beroepschrift tegen belastingaanslagen
Belanghebbende was het niet eens met aanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2001, 2002 en 2003 en diende bezwaren in die niet-ontvankelijk werden verklaard wegens te late indiening. Vervolgens stelde hij beroep in bij de rechtbank, maar dit werd eveneens niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroepschrift na de termijn was ontvangen. Belanghebbende stelde dat hij het beroepschrift tijdig had ingediend en beschikte over ontvangststempels van de rechtbank.
De rechtbank stelde echter vast dat het ingediende stuk met ontvangststempel een kopie van het bestreden besluit betrof en niet als bewijs van tijdige indiening kon dienen. Belanghebbende deed verzet tegen deze beslissing, maar ook dit werd ongegrond verklaard. Belanghebbende stelde daarop cassatie in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad beoordeelde dat de rechtbank voorbijging aan de vraag of de afgestempelde kopie met handgeschreven aantekeningen op zichzelf al als beroepschrift kon gelden. De Hoge Raad stelde dat aan een beroepschrift schriftelijkheidseisen worden gesteld, maar dat ook een onbeholpen stuk kan volstaan als het duidelijk maakt dat de indiener het besluit wil aanvechten. De ontvangststempel en handgeschreven aantekeningen kunnen als bewijs dienen dat het beroepschrift tijdig is ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal is dat het beroep in cassatie gegrond moet worden verklaard en dat de rechtbank het onderzoek moet voortzetten. Hiermee wordt het eerdere oordeel van niet-ontvankelijkheid door de rechtbank vernietigd.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard en de rechtbank moet het onderzoek voortzetten, het eerdere oordeel van niet-ontvankelijkheid wordt vernietigd.