ECLI:NL:PHR:2009:BK0364
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing van artikel 18 EG op heffing BPM bij kortstondig gebruik van buitenlands gekentekende auto in Nederland
Deze zaak betreft de belasting van personenauto's en motorrijwielen (BPM) en de vraag of het Europese recht, in het bijzonder artikel 18 van Pro het EG-Verdrag, zich verzet tegen de heffing van het volledige BPM-bedrag wanneer een in Nederland woonachtige persoon kortstondig een auto met een buitenlands kenteken gebruikt.
Belanghebbenden maakten privéritten in in België of Duitsland geregistreerde auto's van familieleden of partners en werden op Nederlands grondgebied aangehouden. De Inspecteur legde naheffingsaanslagen BPM op, die in hoger beroep door het Hof werden vernietigd wegens strijd met het communautaire evenredigheidsbeginsel en artikel 18 EG Pro. De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraken.
De Hoge Raad analyseert of artikel 18 EG Pro van toepassing is op situaties met kortstondig grensoverschrijdend gebruik zonder duurzaam verblijf en overweegt dat het HvJ EG hierover prejudiciële vragen moet beantwoorden. Tevens wordt besproken of het nationale evenredigheidsbeginsel en discriminatieverboden van het BUPO en EVRM aan de orde zijn. De Hoge Raad concludeert dat het Europese recht mogelijk een belemmering vormt voor de volledige BPM-heffing in deze situaties en beveelt schorsing van de procedure en het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EG.
Uitkomst: De Hoge Raad beveelt schorsing van de procedure en het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EG over de uitleg van artikel 18 EG betreffende het vrije reis- en verblijfsrecht.