ECLI:NL:PHR:2009:BK0866

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/03835
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 lid 8 Wet BopzArt. 8 lid 9 Wet BopzArt. 17 lid 2 Wet BopzArt. 5 lid 1 EVRM
Verwijzingen
9 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging machtiging voortgezet verblijf psychiatrisch ziekenhuis wegens schending hoor en wederhoor

De officier van justitie verzocht de rechtbank Zutphen om een machtiging tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis. De rechtbank behandelde het verzoek mondeling waarbij betrokkene, zijn raadsvrouwe en een psychiater werden gehoord. De rechtbank besloot telefonisch inlichtingen in te winnen bij de waarnemend huisarts en een PIT-verpleegkundige, zonder deze informatie aan betrokkene of zijn advocaat voor te leggen.

De rechtbank verleende vervolgens de machtiging voor de duur van een jaar, waarbij zij haar oordeel mede baseerde op de telefonisch ingewonnen inlichtingen. Betrokkene stelde cassatie in tegen deze beslissing, stellende dat het beginsel van hoor en wederhoor was geschonden.

De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank heeft nagelaten betrokkene en zijn raadsvrouwe de gelegenheid te geven kennis te nemen van en te reageren op de telefonisch verkregen informatie. Dit vormt een schending van artikel 8 lid 8 en Pro 9, in verbinding met artikel 17 lid 2 van Pro de Wet Bopz en het in artikel 5 EVRM Pro neergelegde beginsel van hoor en wederhoor.

Gezien het ontbreken van bijzondere omstandigheden die dit konden rechtvaardigen, vernietigt de Hoge Raad de beschikking en verwijst de zaak terug naar de rechtbank Zutphen voor hernieuwde behandeling.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de machtiging tot voortgezet verblijf wegens schending van het beginsel van hoor en wederhoor en verwijst de zaak terug naar de rechtbank.

Conclusie

09/03835
Mr. F.F. Langemeijer
Parket, 16 oktober 2009
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
tegen
Officier van Justitie te Zutphen
In deze Bopz-zaak wordt geklaagd over schending van het beginsel van hoor en wederhoor.
1. De feiten en het procesverloop
1.1. De officier van justitie in het arrondissement Zutphen heeft op 7 juli 2009 aan de rechtbank aldaar verzocht een machtiging te verlenen tot het voortgezet verblijf van verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis. Bij het verzoekschrift was onder meer een geneeskundige verklaring gevoegd.
1.2. De rechtbank heeft het verzoek mondeling behandeld op 10 juli 2009 en daarbij betrokkene en zijn raadsvrouwe alsmede een aan het psychiatrisch ziekenhuis verbonden psychiater gehoord. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling (blz. 2) blijkt dat de raadsvrouwe primair afwijzing van het verzoek heeft bepleit en subsidiair de rechtbank heeft verzocht contact op te nemen met de huisarts en het PIT(1). Het proces-verbaal vermeldt dat de rechter bij de sluiting van het verhoor heeft medegedeeld dat hij, alvorens op het verzoek te beslissen, contact zal opnemen met de huisarts en het PIT.
1.3. Zo is geschied. Blijkens een daarvan afzonderlijk opgemaakt proces-verbaal is de rechtbank overgegaan tot het telefonisch horen van de waarnemend huisarts van betrokkene en de PIT-verpleegkundige op 10 respectievelijk 14 juli 2009. Het proces-verbaal vermeldt verder:
'De rechter sluit hierna het verhoor en verleent, van oordeel zijnde dat aan alle criteria is voldaan, de machtiging tot voortgezet verblijf van betrokkene voor de duur van een jaar.'
1.4. Bij beschikking van 16 juli 2009 heeft de rechtbank de verzochte machtiging verleend voor de duur van een jaar. Op blz. 1 maakt de beschikking melding van het telefonisch horen van de waarnemend huisarts en de PIT-verpleegkundige. Bij de beoordeling van het verzoek overwoog de rechtbank dat de geneeskundige verklaring en hetgeen daaraan is toegevoegd, ook door de waarnemend huisarts en de PIT-verpleegkundige, voldoende aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat de verslaving van betrokkene ook na afloop van de geldende machtiging gepaard zal gaan met een ernstige psychiatrische stoornis (blz. 2).
1.5. Namens betrokkene is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1. Het middel klaagt dat de rechtbank heeft verzuimd om voorafgaand aan haar beslissing betrokkene of zijn advocaat te informeren over de door de waarnemend huisarts en de PIT-verpleegkundige telefonisch verstrekte inlichtingen en hen in de gelegenheid te stellen daarop te reageren. Volgens het middel heeft de rechtbank daarmee in strijd gehandeld met art. 8, leden 8 en 9, in verbinding met art. 17 lid 2 Wet Pro Bopz en het in art. 5 EVRM Pro neergelegde beginsel van hoor en wederhoor.
2.2. De klacht is gegrond. Nu uit de bestreden beschikking noch uit de overige gedingstukken van het tegendeel blijkt(2), moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat de door de rechtbank bij de waarnemend huisarts en de PIT-verpleegkundige telefonisch ingewonnen inlichtingen niet aan betrokkene of zijn raadsvrouwe zijn voorgelegd en dat zij niet in de gelegenheid zijn gesteld daarop te reageren.
2.3. De telefonische inlichtingen van de waarnemend huisarts en de PIT-verpleegkundige hebben onmiskenbaar een rol gespeeld bij de beslissing van de rechtbank. In de beschikking heeft de rechtbank immers vastgesteld dat haar oordeel, dat de alcoholverslaving van betrokkene gepaard zal blijven gaan met een stoornis van de geestesvermogens, mede op deze telefonische inlichtingen berust. Ook de vaststelling in de beschikking dat betrokkene tijdens verlofperioden thuis slechts een aantal uren per week huishoudelijke hulp had, dat duidelijk is dat daarmee niet volledig in zijn zorgbehoefte werd voorzien en dat hij kennelijk niet in staat is geweest om zelf thuiszorg te regelen, is door de rechtbank klaarblijkelijk gebaseerd op de inlichtingen van de PIT-verpleegkundige.
2.4. Uit de beschikking en de overige gedingstukken blijkt niet van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat betrokkene of zijn raadsvrouwe niet in de gelegenheid is gesteld om kennis te nemen van deze telefonische inlichtingen en zich daarover uit te spreken. De consequentie is dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven(3).
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank te Zutphen.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
1 Naar ik aanneem, staat deze afkorting voor: psychiatrische intensieve thuiszorg.
2 Vgl., onder meer, HR 21 december 2007, BJ 2008, 13.
3 Zie ook art. 19 Rv Pro, laatste volzin, en o.m.: HR 23 november 1990, NJ 1991, 91; HR 16 april 1999, NJ 1999, 432; HR 4 mei 2007, NJ 2007, 272.