ECLI:NL:PHR:2009:BK3331

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/02691
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Nietig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 434 lid 1 SvArt. 457 lid 1 Sv
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid van de appeldagvaarding wegens ontbreken akte van uitreiking

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam verdachte bij verstek veroordeeld voor het rijden zonder geldige motorrijtuigverzekering. Verdachte stelde cassatie in tegen deze uitspraak. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken ontbrak de akte van uitreiking van de appeldagvaarding, een essentieel stuk om te kunnen beoordelen of de dagvaarding correct is betekend.

De voorzitter van het Hof verklaarde dat dit stuk kennelijk in het ongerede was geraakt en niet meer kon worden geleverd. Hierdoor kon de Hoge Raad niet vaststellen of de dagvaarding op de wettelijk voorgeschreven wijze was betekend. Dit leidde ertoe dat de Hoge Raad de appeldagvaarding om doelmatigheidsredenen nietig verklaarde.

Daarnaast werden inhoudelijke bezwaren van verdachte, zoals de stelling dat zijn tweelingbroer de auto bestuurde en dat de auto wel verzekerd was, niet in cassatie behandeld omdat deze niet geschikt zijn voor cassatieonderzoek. De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest en verklaarde de appeldagvaarding nietig, waardoor het vonnis van het Hof niet in stand kon blijven.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de appeldagvaarding nietig en vernietigt het arrest van het Hof wegens ontbreken van de akte van uitreiking.

Conclusie

Nr. 08/02691
Mr. Machielse
Zitting 3 november 2009
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 3 augustus 2007 bij verstek voor 'Als bestuurder van een motorrijtuig daarmede op een weg rijden zonder dat er voor dat motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen is gesloten en instandgehouden' veroordeeld tot een geldboete van € 500 en tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vier maanden.
2. Verdachte heeft cassatie ingesteld en mr. S.S. Ilahi, advocaat te Groningen, heeft een schriftuur ingezonden, houdende vier middelen van cassatie.
3.1. Het eerste en het tweede middel klagen over het ontbreken van de akte van uitreiking van de appeldagvaarding bij de stukken waarover het hof kon beschikken. Het hof had de appeldagvaarding daarom nietig moeten verklaren en had verdachte niet bij verstek mogen veroordelen.
3.2. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep houdt in:
"De verdachte, gedagvaard als,
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
GBA-adres: [a-straat 1], [woonplaats],
is niet verschenen.
De advocaat-generaal legt over een formulier waaruit blijkt dat achtereenvolgens bij het dagvaarden, 3 dagen voor de terechtzitting van heden en heden door middel van geautomatiseerde informatiesystemen (VIP) is gecontroleerd of verdachte in een Nederlandse penitentiaire inrichting verbleef, hetgeen niet het geval bleek te zijn.
Op vordering van de advocaat-generaal verleent het gerechtshof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan."
3.3. In het dossier bevindt zich een schrijven van mr. M.J.L. Mastboom, raadsheer in het gerechtshof te Amsterdam, waarin onder meer het volgende is te lezen:
"Betreft: cassatie [verdachte] .Zaaknummer HR: S 08/02691 Amsterdam, 29 augustus 2008
Naar aanleiding van Uw e-mailbericht van 27 augustus 2008, verklaar ik, raadsheer in het gerechtshof Amsterdam, dat in de zaak van [verdachte], die tegen de uitspraak van het hof van 3 augustus 2007 (nummer 23/006109-06) in cassatie is gegaan, het volgende stuk kennelijk in het ongerede is geraakt en niet meer kan worden geleverd:
akte van uitreiking betreffende de dagvaarding van verdachte in hoger beroep voor de zitting van 3 augustus 2007."
Nu de akte van uitreiking van de appeldagvaarding niet (meer) beschikbaar is kan de Hoge Raad niet nagaan of de appeldagvaarding op correcte wijze is betekend, hetgeen met zich brengt dat het bestreden arrest niet in stand kan blijven.
4.1. Het derde en het vierde middel bevatten een aantal min of meer samenhangende klachten en kunnen ook gezamenlijk besproken worden.
4.2. De in de schriftuur opgeworpen stelling dat het niet verdachte is geweest die op 11 januari 2006 de auto met het kenteken [AA-00-BB] in de gemeente Purmerend heeft bestuurd maar zijn tweelingbroer is van feitelijke aard en leent zich niet voor een onderzoek in cassatie. Hetzelfde geldt voor de stelling dat de auto op 11 januari 2006 wél verzekerd was en dat de tweelingbroer van verdachte voor hetzelfde feit veroordeeld is. De laatste omstandigheid levert overigens, anders dan de steller van het middel bepleit, geen situatie op die het verdient te worden bestreken door art. 68 Sr Pro, maar levert hoogstens de in art. 457 lid Pro 1, aanhef en onder 1 Sv genoemde grond voor herziening op.
Beide middelen falen.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot nietigverklaring van de appeldagvaarding.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden