ECLI:NL:PHR:2009:BK3575

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/03732
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BWArt. 809 RvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt ontzegging omgangsregeling wegens loyaliteitsconflict en onvoldoende inspanning ouders

In deze familierechtelijke zaak verzocht de vader de rechtbank Middelburg om de omgangsregeling tussen de moeder en de drie minderjarige kinderen te beëindigen. De rechtbank wijzigde de omgangsregeling door de omgang tussen de moeder en het oudste kind stop te zetten, terwijl het overige verzoek werd afgewezen. Het hof 's-Gravenhage bekrachtigde dit besluit in hoger beroep.

De vader stelde cassatieberoep in tegen het oordeel van het hof, waarin hij betoogde dat de moeder onvoldoende meewerkte aan een goede omgang en dat de kinderen zelf weerstand boden tegen het contact. Het hof oordeelde dat het loyaliteitsconflict tussen de ouders volledig aan hen te wijten was en dat er geen wettelijke ontzeggingsgronden waren voor een volledige stopzetting van de omgang, tenzij de kinderen ernstig in de problemen zouden komen. Dit was volgens het hof niet voldoende gebleken.

De Hoge Raad overwoog dat het oordeel van het hof feitelijk van aard is en slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst. Gezien de stukken was het oordeel begrijpelijk en faalden de klachten. Tevens stelde de Hoge Raad dat de rechter niet verplicht is minderjarige kinderen onder twaalf jaar te horen, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen, en dat dit niet gemotiveerd hoeft te worden. Het cassatieberoep werd verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hofbesluit tot stopzetting van de omgangsregeling met het oudste kind blijft in stand.

Conclusie

09/03732
mr. E.B. Rank-Berenschot
Parket, 13 november 2009
Conclusie inzake:
[De vader]
(hierna: de man),
adv. mr. P. Garretsen,
tegen
[De moeder]
(hierna: de vrouw),
adv. mr. E. Grabandt.
Deze zaak leent zich voor een verkorte conclusie.
1. Partijen zijn gehuwd geweest. Uit dit huwelijk zijn drie thans nog minderjarige kinderen geboren: [kind 1] ([geboortedatum] 1994), [kind 2] ([geboortedatum] 1997) en [kind 3] ([geboortedatum] 2003). De man heeft het eenhoofdig gezag over deze kinderen.
2. In dit geding heeft de man de rechtbank Middelburg verzocht de door het hof
's-Gravenhage bij beschikking van 13 juni 2007 vastgestelde omgangsregeling tussen de vrouw en de drie kinderen te wijzigen in die zin dat de omgangsregeling wordt stopgezet. Bij beschikking van 4 juni 2008 heeft de rechtbank genoemde beschikking van het hof aldus gewijzigd dat de omgangsregeling tussen de vrouw en [kind 1] wordt stopgezet; het meer of anders verzochte heeft de rechtbank afgewezen. In het door de man tegen deze laatste beslissing ingestelde hoger beroep heeft het hof 's-Gravenhage bij (eind)beschikking van 17 juni 2009 de bestreden beschikking bekrachtigd.
3. Het tijdig door de man ingestelde cassatieberoep bevat één middel, dat - als ik goed zie - uiteenvalt in drie klachten. De eerste klacht is gericht tegen rechtsoverweging 5, waarin het hof het volgende heeft geoordeeld:
"Zoals uit het onder het in rechtsoverwegingen 1 en 2 hiervoor vermelde blijkt is de verklaring voor het ouderklimaat volledig te wijten aan de ouders zelf die niet ten volle hun verantwoordelijkheid als ouders willen of kunnen nemen. Dientengevolge werken zij een loyaliteitsconflict bij de kinderen in de hand en houden het door hun gedragingen over en weer ook in stand. Het hof kan in deze zaak echter niet vaststellen dat deze gedragingen van de ouders er toe leiden dat sprake is van een of meerdere van de in de wet vermelde ontzeggingsgronden. Dit kan anders komen te liggen indien de kinderen bij voortgaande omgang onder dit recht en de daarbij spelende omstandigheden ernstig in de problemen (dreigen te) komen, doch daarvan is in casu niet voldoende gebleken. Hun maatschappelijk leven op school, met vriendjes bij de verzorgende ouder, kan op aanvaardbaar niveau worden gecontinueerd. Het hof tekent hierbij aan dat de bezwaren die de man in de toelichting op zijn grieven tegen de omgang naar voren brengt, namelijk dat de vrouw te zeer gericht is op haar eigen wensen en dat juist de opstelling van de vrouw de omgangsregeling onuitvoerbaar maakt, niet goed te plaatsen zijn tegen de achtergrond dat de verantwoording over de zorg voor en opvoeding van de kinderen mede aan hem is toevertrouwd vanuit de gedachte dat de man meer dan de vrouw in staat is te waarborgen dat de kinderen toegang zouden krijgen tot beide ouders en het contact duurzaam zou worden. Het hof is er niet van overtuigd dat de man - en in het verlengde daarvan de vrouw - zich optimaal hebben ingespannen die toegang en het contact te waarborgen."
4. De eerste klacht (cassatieverzoekschrift onder 4.3-4.4, eerste volzin) klaagt dat het hof ten onrechte niet (voldoende) onderscheidt dat de man steeds heeft geprobeerd een goede omgangsregeling tussen de vrouw en de kinderen tot stand te brengen, doch hierbij is gestuit op onoverbrugbaar gebleken problemen aan de zijde van de vrouw op zodanige wijze dat dit een directe weerslag heeft op beide kinderen (verwezen wordt naar grief 2, sub 7-12); het is de weerstand van de kinderen zelf die ertoe heeft geleid dat de kinderen niet meer naar de vrouw toe willen, terwijl een geforceerde regeling niet in hun belang is. Volgens de klacht kan het hof dan ook niet oordelen dat de man zich niet optimaal heeft ingespannen. De omstandigheid dat de vrouw zich niet inspant om op normale wijze omgang met de kinderen te krijgen en met hen een contact op te bouwen, dient ertoe te leiden dat de omgangsregeling (definitief) wordt stopgezet, aldus nog steeds de klacht.
5. 's Hofs oordeel in rov. 5 betreft de vraag of sprake is van een of meerdere van de in art. 1:377a lid 3 BW vermelde ontzeggingsgronden en is in hoge mate feitelijk van aard. Een dergelijk oordeel kan in cassatie niet op juistheid worden getoetst, doch uitsluitend op begrijpelijkheid. In het licht van de in cassatie niet bestreden rechtsoverwegingen 1 en 2 alsmede in het licht van de gedingstukken kan niet worden gezegd dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is. De klacht faalt.
6. De tweede klacht (cassatieverzoekschrift onder 4.4, tweede en derde volzin) klaagt dat het hof ten onrechte geen kenbare beslissing heeft gegeven op het verzoek van de man om, indien het hof zou menen dat niet vaststaat dat de omgangsregeling in strijd is met de zwaarwegende belangen van de kinderen, de kinderen alsnog zelf te horen.
7. Ingevolge art. 809 Rv Pro. kan de rechter minderjarigen die de leeftijd van twaalf jaar nog niet hebben bereikt - zoals [kind 2] en [kind 3] ten tijde van de uitspraak van het hof - in de gelegenheid stellen hem hun mening kenbaar te maken op een door hem te bepalen wijze. Anders dan de klacht betoogt, behoeft de rechter zijn beslissing om kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar niet te horen, behoudens bijzondere omstandigheden waarvan in dit geval niet is gebleken, niet te motiveren (HR 24 januari 2003, LJN: AF0204, NJ 2003, 198 m.nt. SFMW, rov. 3.3). De klacht faalt dan ook.
8. De derde klacht (cassatieverzoekschrift onder 4.5) klaagt dat op grond van het vorenstaande de rechtsoverwegingen 6 en 7 en de vervolgens gegeven beslissing evenmin in stand kunnen blijven. Deze voortbouwende klacht mist zelfstandige betekenis en faalt in het licht van het bovenstaande.
9. De middelen nopen niet tot de beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
10. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G