ECLI:NL:PHR:2009:BK4517

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 november 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/03398
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Overig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.12 Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak over waardering agrarisch perceel na staking onderneming

Belanghebbende en zijn echtgenote dreven een varkensfokkerij in maatschapvorm die zij op 31 december 2003 staakten. Tot het ondernemingsvermogen behoorde een L-vormig agrarisch perceel van 4440 m², dat na staking naar het privévermogen werd overgebracht. De waarde van dit perceel ten tijde van de staking was het centrale geschil.

De Rechtbank te Breda had de aanslag inkomstenbelasting over 2003 verminderd, maar het Hof vernietigde deze uitspraak en stelde de aanslag weer vast. Het Hof ging uit van een waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming (WEVAB) van €45.000 en verwierp de stelling van de Inspecteur dat de waarde hoger was, namelijk €136.000.

De Hoge Raad oordeelde dat het Hof de stelling van de Inspecteur onvoldoende had gemotiveerd en dat het Hof ten onrechte voorbij was gegaan aan de mogelijkheid dat belanghebbende als meest gerede koper een hogere waarde aan het perceel toekende. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak naar het Gerechtshof Arnhem voor verdere behandeling met inachtneming van dit arrest.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor nadere behandeling van de waardering van het agrarisch perceel.

Conclusie

Nr. 08/03398
27 november 2009
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 2 juli 2008, nr. 07/00108, betreffende een aan X te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is voor het jaar 2003 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
De Rechtbank te Breda (nr. AWB 06/2384) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten, het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende dreef in het onderhavige jaar tezamen met zijn echtgenote, in de vorm van een maatschap, een varkensfokkerij. Belanghebbende en zijn echtgenote hebben deze onderneming op 31 december 2003 gestaakt. Tot het ondernemingsvermogen van belanghebbende en zijn echtgenote behoorde in 2003 een L-vormig perceel grond van 4440 m² (hierna: het perceel). Het perceel grenst aan het perceel waarop de woning van belanghebbende en zijn echtgenote staat. Het perceel had een agrarische bestemming. Op 31 december 2003 was het perceel in gebruik bij een buurman van belanghebbende die er gewassen op teelde. Het perceel is bij de staking overgegaan naar het privévermogen van belanghebbende en zijn echtgenote.
3.2. Voor het Hof was - voor zover in cassatie van belang - in geschil de waarde van het perceel ten tijde van de staking.
Het Hof heeft geoordeeld dat niet in geschil is dat het perceel een agrarische bestemming heeft en dat de waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming (hierna: de WEVAB) van het perceel ten tijde van de staking € 45.000 beliep. De Inspecteur, op wie de bewijslast rust, heeft, aldus het Hof, niet aannemelijk gemaakt dat bij de overgang van het perceel naar het privévermogen van belanghebbende en zijn echtgenote aan het perceel een hogere waarde kan worden toegekend dan die WEVAB.
3.3.1. Het middel klaagt onder meer erover dat het Hof zonder nadere motivering is voorbijgegaan aan de stelling van de Inspecteur dat de waarde in het economische verkeer van het perceel voor belanghebbende, als meest gerede koper, € 136.000 bedraagt. Het middel betoogt in dit verband dat de omstandigheid dat het perceel ten tijde van de overdracht naar privé een agrarische bestemming had en ook (tijdelijk) als zodanig werd gebruikt, niet wegneemt dat belanghebbende het perceel tot het privévermogen wenste te rekenen als onderdeel van het perceel waarop de privéwoning staat.
3.3.2. Het Hof heeft de hiervoor in 3.3.1 weergegeven stelling van de Inspecteur niet behandeld. Indien het Hof niet van belang heeft geacht dat een buurman - zoals belanghebbende ter bepaling van de waarde in het economische verkeer van het perceel is te beschouwen - de meest gerede gegadigde is, getuigt dat oordeel van een onjuiste rechtsopvatting (vgl. HR 24 januari 1990, nr. 25884, BNB 1990/83). Indien het Hof dit niet heeft miskend, is zijn door het middel bestreden oordeel zonder nadere motivering, welke ontbreekt, onbegrijpelijk. Het middel slaagt in zoverre. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. Het middel behoeft voor het overige geen behandeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank een vergoeding dient te worden toegekend.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, en
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens, C.B. Bavinck, A.R. Leemreis en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2009.