Uitspraak
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof te 's-Gravenhagevan 6 januari 1988 betreffende de aan
[Z]
24.000,--
ƒ 258.700, --
ƒ 179.262,--
ƒ 5.455,--
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Belanghebbende oefende een veehouderij uit in firmaverband en bezat diverse onroerende goederen, waaronder landbouwgrond en bedrijfsopstallen. Na diverse transacties ontstond discussie over de waardering van de grond en de toepassing van de landbouwvrijstelling op het overdrachtsverlies.
Het Hof had geoordeeld dat belanghebbende een bedrag boven de economische waarde had betaald voor een perceel landbouwgrond en dat dit deel van het verlies niet onder de landbouwvrijstelling viel. Het Hof baseerde dit op een motief dat de grond gunstig gelegen was en de koopprijs hoger lag dan de gemiddelde prijs per hectare.
De Hoge Raad stelde dat in het algemeen de tussen onafhankelijke partijen overeengekomen koopprijs niet afwijkt van de waarde in het economische verkeer. De aanwezigheid van een buurman als bijzondere gegadigde behoort tot de factoren die de waarde bepalen. Hierdoor was het oordeel van het Hof onjuist en moest het volledige verlies onder de landbouwvrijstelling vallen.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof en de uitspraak van de Inspecteur en bepaalde dat het verlies dat belanghebbende had geleden buiten de berekening van het belastbare inkomen moest worden gehouden, waardoor de aanslag werd verminderd.
De uitspraak benadrukt het belang van de koopprijs als maatstaf voor de economische waarde en bevestigt de toepassing van de landbouwvrijstelling op waardeveranderingen van landbouwgrond.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en bepaalt dat het gehele verlies op landbouwgrond onder de landbouwvrijstelling valt, waardoor de aanslag wordt verminderd.