ECLI:NL:PHR:2009:BK7192
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Herziening wegens persoonsverwisseling bij veroordeling op grond van Opiumwet
Aanvrager verzocht om herziening van twee onherroepelijke vonnissen uit 1995 en 1999, waarbij hij werd veroordeeld voor poging tot diefstal en overtreding van de Opiumwet. De aanvraag baseerde zich op het vermoeden van persoonsverwisseling, onder meer vanwege verschillen in handtekeningen op documenten uit de strafzaken.
Een nader onderzoek door het College van Procureurs-Generaal wees uit dat de officier van justitie geen toegang had tot het dossier van de veroordeling uit 1995 en dat er geen vergelijkende vingerafdrukken of foto's beschikbaar waren. Wel werd vastgesteld dat er verschillen waren in handtekeningen uit de zaak van 1999, wat leidde tot het staken van de executie van het vonnis en invrijheidstelling van aanvrager.
De voorzieningenrechter nam dit over en oordeelde dat aanvrager niet de veroordeelde was en ten onrechte vastzat. De Hoge Raad stelt dat het enkele verschil in handtekeningen onvoldoende steun biedt voor een ernstig vermoeden van persoonsverwisseling, maar acht de omstandigheden rondom de zaak van 1999 wel zodanig dat herziening gegrond is. Voor de zaak uit 1995 is onvoldoende bewijs voor herziening.
De Hoge Raad verklaart het herzieningsverzoek gegrond voor de veroordeling van 4 januari 1999, beveelt opschorting van de tenuitvoerlegging en verwijst de zaak naar het gerechtshof voor behandeling volgens art. 467 Sv Pro.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het herzieningsverzoek gegrond voor de veroordeling van 4 januari 1999 en verwijst de zaak naar het gerechtshof.