ECLI:NL:PHR:2009:BK7368

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/01655 H
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 SvArt. 467 SvArt. 197 Sr
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening veroordeling wegens verblijf als ongewenst vreemdeling na vaststelling Nederlandse nationaliteit

De politierechter te Groningen veroordeelde de aanvrager op 3 november 2006 wegens het meermalen verblijven in Nederland als ongewenst vreemdeling terwijl hij wist of moest vermoeden dat hij daartoe was verklaard.

Na de veroordeling stelde de rechtbank te 's-Gravenhage op 15 januari 2009 onherroepelijk vast dat de aanvrager sinds 19 april 1985 de Nederlandse nationaliteit bezit. Deze beschikking werd als nieuw feitelijk bewijs ingediend bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad overweegt dat deze vaststelling een ernstig vermoeden oplevert dat, indien bekend geweest tijdens het oorspronkelijke proces, dit tot vrijspraak had geleid. Daarom verklaart de Hoge Raad de herzieningsaanvraag gegrond, beveelt opschorting van de tenuitvoerlegging van het vonnis en verwijst de zaak naar het gerechtshof te Leeuwarden voor herbehandeling.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de herzieningsaanvraag gegrond en verwijst de zaak voor hernieuwde behandeling naar het gerechtshof.

Conclusie

Nr. 09/01622 H
Zitting 6 oktober 2009
Mr. Jörg
Conclusie inzake:
[Aanvrager]
1. De politierechter te Groningen heeft aanvrager bij vonnis van 3 november 2006 onder meer wegens het meermalen "als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard" veroordeeld tot straf.
2. Namens aanvrager heeft mr. F.J.E. Hogewind, advocaat te Amsterdam, een aanvraag tot herziening van bovenvermeld vonnis ingediend.
3. De aanvraag steunt op de omstandigheid dat de rechtbank te 's-Gravenhage aanvrager bij beschikking van 15 januari 2009 heeft vastgesteld dat aanvrager met ingang van 19 april 1985 de Nederlandse nationaliteit bezit. Bedoelde beschikking is aan de herzieningsaanvrage gehecht.
4. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2º van art. 457 Sv Pro slechts indienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstige vermoeden wekken dat, ware zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een mindere strafbepaling
5. Deze zaak wijkt af van de in de jurisprudentie bekende gevallen waarin veroordeling wegens art. 197 Sr Pro werd herzien op grond van de opheffing van de ongewenstverklaring. In de onderhavige zaak is de ongewenstverklaring van de aanvrager - voor zover wij thans in cassatie kunnen overzien - niet opgeheven of ingetrokken. Niettemin moet de onherroepelijke vaststelling door de rechtbank dat de aanvrager sinds 19 april 1985 de Nederlandse nationaliteit heeft leiden tot het ernstige vermoeden dat de politierechter, ware hij met deze beschikking bekend geweest, de aanvrager van het hem tenlastegelegde feit zou hebben vrijgesproken.
6 . Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvrage tot herziening gegrond zal verklaren, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 3 november 2006 zal bevelen, en de zaak zal verwijzen naar het gerechtshof te Leeuwarden opdat de zaak op de voet van art. 467, eerste lid, Sv opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden