ECLI:NL:HR:2009:BK7368
Hoge Raad
- Herziening
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Herziening wegens bezit Nederlandse nationaliteit ondanks verklaring ongewenst vreemdeling
De aanvrager werd veroordeeld voor het verblijven in Nederland terwijl hij wist of moest vermoeden dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard op 30 maart en 12 april 2005. Later stelde de Rechtbank te 's-Gravenhage vast dat de aanvrager sinds 19 april 1985 de Nederlandse nationaliteit bezit, hetgeen een ernstig vermoeden van onjuiste veroordeling oplevert.
De Hoge Raad oordeelde dat deze nieuwe omstandigheid, zoals bedoeld in art. 457 lid 1 sub Pro 2 Sv, de herzieningsaanvraag gegrond maakt. De Hoge Raad beval opschorting van de tenuitvoerlegging van het vonnis en verwees de zaak naar het Gerechtshof te Leeuwarden voor herbehandeling.
De Advocaat-Generaal had eveneens geconcludeerd dat de herziening gegrond is. De Hoge Raad bevestigde dat de Politierechter, indien bekend met het bezit van de Nederlandse nationaliteit, de aanvrager zou hebben vrijgesproken. De zaak zal nu opnieuw worden behandeld en afgedaan.
Uitkomst: Herzieningsaanvraag gegrond verklaard en zaak verwezen naar gerechtshof voor nieuwe behandeling.