ECLI:NL:PHR:2010:BH6453
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling wettelijke basis en richtlijnconformiteit van artikel 15 Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting
In deze zaak staat de rechtsgeldigheid en richtlijnconformiteit van artikel 15 van Pro de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 centraal. Belanghebbende, een ondernemer met twee bedrijfsauto's die ook privé werden gebruikt, betwist de heffing van omzetbelasting over het privégebruik van deze auto's. Hij stelt dat artikel 15 van Pro de Uitvoeringsbeschikking geen wettelijke basis heeft en strijdig is met de Zesde richtlijn, met name artikel 17, lid 6.
De Rechtbank oordeelde dat artikel 15 Uitvoeringsbeschikking een geldige uitvoeringsbepaling is van artikel 15, lid 6, van de Wet op de omzetbelasting 1968 en niet in strijd is met de Zesde richtlijn. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat de regeling een forfaitaire correctie van de voorbelasting betreft, waarbij volledige aftrek wordt toegestaan gevolgd door een heffing over het privégebruik. Deze regeling gaat niet verder dan de delegatiebevoegdheid toestaat.
Voorts stelt de Hoge Raad dat artikel 15 van Pro de Uitvoeringsbeschikking geen uitsluiting van aftrek is in de zin van artikel 17, lid 6, van de Zesde richtlijn, maar een regeling die volledige aftrek combineert met een heffing ter compensatie van privégebruik. De forfaitaire heffing staat los van de daadwerkelijk in aftrek gebrachte belasting, maar wordt geacht binnen het kader van de wet en richtlijn te passen. De Hoge Raad verwerpt daarmee de stelling dat de regeling strijdig is met Europese regelgeving en bevestigt de rechtmatigheid van de heffing over privégebruik van bedrijfsauto's volgens artikel 15 van Pro de Uitvoeringsbeschikking.
Uitkomst: Artikel 15 van de Uitvoeringsbeschikking is een geldige delegatiebepaling en niet in strijd met de Zesde richtlijn; de heffing over privégebruik van bedrijfsauto's blijft van kracht.