ECLI:NL:PHR:2010:BI1155
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Belastingheffing bij afkoop calloptie op ter beschikking gesteld onroerend goed
Belanghebbende, een belastingadviseur en aanmerkelijkbelanghouder, had een calloptie verleend aan zijn BV op een deel van een onroerende zaak die hij ter beschikking stelde aan een vennootschap onder firma. De BV betaalde een optiepremie, en belanghebbende kocht de optieverplichting later af tegen een lagere vergoeding, waardoor een voordeel ontstond. De Inspecteur rekende dit voordeel tot het belastbaar inkomen uit werk en woning op grond van art. 3.92 Wet IB 2001, maar de Rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en wees de aanslag af.
De Hoge Raad stelt in cassatie vast dat de optieverplichting niet als schuld in de zin van de wet kan worden aangemerkt, maar dat de onroerende zaak en de optieverplichting onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en gezamenlijk moeten worden gewaardeerd. De wetgever heeft met de wetswijziging van 22 juli 2002 expliciet bepaald dat optieverplichtingen onder de terbeschikkingstellingsregeling vallen. Hierdoor behoort het voordeel bij afkoop tot het resultaat uit overige werkzaamheden en is het belast.
De Hoge Raad vernietigt het vonnis van de Rechtbank en verklaart het beroep in cassatie gegrond. Het behaalde voordeel bij afkoop van de calloptie wordt belast als resultaat uit overige werkzaamheden volgens art. 3.92 Wet IB 2001.
Uitkomst: Het bij afkoop van de calloptie behaalde voordeel is belastbaar als resultaat uit overige werkzaamheden volgens art. 3.92 Wet IB 2001.