ECLI:NL:PHR:2010:BI1196
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Belastingheffing over vrijval optieverplichting bij terbeschikkingstelling onroerende zaak
Belanghebbende, eigenaar van een opslagloods die werd verhuurd aan zijn eigen BV, sloot in december 2000 een optieovereenkomst waarbij de BV het recht kreeg de onroerende zaak te verwerven tegen de waarde in het economische verkeer. De BV oefende de optie in juli 2002 uit en verkocht het pand door aan een derde. De Inspecteur rekende de vrijval van de optieverplichting tot het belastbaar inkomen uit werk en woning op grond van artikel 3.92 Wet IB 2001, maar de Rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en wees de aanslag af.
De staatssecretaris stelde cassatie in en voerde aan dat de optieverplichting als onderdeel van het werkzaamheidsvermogen moest worden beschouwd. De Hoge Raad overwoog dat de optieverplichting niet als schuld die rechtstreeks samenhangt met het vermogensbestanddeel kan worden aangemerkt, maar dat optieverplichting en onroerende zaak onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en als één geheel moeten worden gewaardeerd. Dit betekent dat de optieverplichting tot het werkzaamheidsvermogen behoort en de vrijval daarvan belast is.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van de Rechtbank en verklaarde het beroep van de staatssecretaris gegrond. De vrijval van de optieverplichting van € 43.444 werd daarmee terecht tot het belastbaar inkomen uit werk en woning gerekend. De overige middelen behoefden geen behandeling omdat zij uitgingen van een onjuiste premisse.
Uitkomst: De vrijval van de optieverplichting wordt belast als resultaat uit werk en woning op grond van artikel 3.92 Wet IB 2001.