ECLI:NL:PHR:2010:BJ9665
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Fiscaal relevante vermogensvermeerdering door schuldenvrijval bij faillissement van dochter binnen fiscale eenheid
De zaak betreft een geschil over de vennootschapsbelasting 2003 van X Holding BV, waarbij de inspecteur een bedrag wegens vrijval van schulden van een failliete dochtermaatschappij tot de winst van de moeder heeft gerekend. De dochter A B.V. was failliet verklaard en het faillissement werd opgeheven wegens gebrek aan baten, waarbij circa €1.260.332 aan schulden onbetaald bleef.
De Rechtbank Breda oordeelde dat de fiscale eenheid werd bevrijd van de schulden van de dochter op het moment dat het faillissement werd opgeheven en de dochter van rechtswege werd ontbonden, waardoor de schuldenvrijval tot winstneming bij de moeder leidde. De belanghebbende stelde in cassatie dat winstneming niet gerechtvaardigd was omdat de onderneming van de dochter niet werd voortgezet en dat winstneming in strijd was met goed koopmansgebruik.
De Hoge Raad bevestigde de hoofdregel dat faillissement van een niet-gevoegde rechtspersoon niet leidt tot schuldenvrijvalwinst, maar erkende de uitzondering dat bij faillissement van een gevoegde dochter binnen een fiscale eenheid onder omstandigheden wel sprake kan zijn van een fiscaal relevante vermogensvermeerdering. Deze uitzondering vloeit voort uit de eigenaardigheid van de fiscale eenheid, waarbij de moeder civielrechtelijk niet aansprakelijk is voor de schulden van de ontbonden dochter, waardoor de fiscale eenheid fiscaal wordt bevrijd van die schulden.
De Hoge Raad oordeelde dat het niet ter zake doet of de onderneming van de failliete dochter wordt voortgezet binnen de fiscale eenheid; in beide gevallen ontstaat een vermogensmutatie die fiscaal als winst moet worden beschouwd. De winstneming moet plaatsvinden in het jaar waarin de onbetaalde schulden definitief van de fiscale balans verdwijnen, hier het jaar van opheffing van het faillissement en ontbinding van de dochter.
Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard, waarmee de uitspraak van de Rechtbank werd bekrachtigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de winstneming wegens schuldenvrijval in 2003 terecht is genomen.