ECLI:NL:PHR:2010:BK0355
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing artikel 18 EG op naheffing BPM bij kortdurend privégebruik buitenlands gekentekende auto
Belanghebbende, woonachtig in Nederland, gebruikte kortdurend een in België geregistreerde auto van haar vader voor privédoeleinden in Nederland. De Belastingdienst legde haar een naheffingsaanslag BPM op op grond van artikel 1, lid 5, van de Wet BPM, berekend vanaf de eerste constatering van gebruik op Nederlandse wegen.
De Rechtbank en het Hof 's-Hertogenbosch oordeelden dat de naheffing terecht was, maar dat de BPM-heffing in strijd was met het evenredigheidsbeginsel omdat geen rekening werd gehouden met de korte gebruiksduur. Het Hof stelde dat artikel 18 EG Pro van toepassing is en bescherming biedt tegen disproportionele heffing.
De Staatssecretaris stelde in cassatie dat artikel 18 EG Pro niet van toepassing is op binnenlands gebruik en dat het evenredigheidsbeginsel geen toetsingsgrond is voor wettelijke naheffingsaanslagen. De Hoge Raad concludeert dat het geschil een prejudiciële vraag aan het HvJ EG rechtvaardigt over de uitleg van artikel 18 EG Pro, met name of het recht om vrij te reizen en verblijven ook binnen één lidstaat geldt.
De zaak betreft de afweging tussen nationale belastingheffing en Europese vrijheden, waarbij het HvJ EG wordt gevraagd duidelijkheid te verschaffen over de reikwijdte van artikel 18 EG Pro in situaties van kortdurend gebruik van buitenlands gekentekende voertuigen door in Nederland wonende burgers.
Uitkomst: Hoge Raad beveelt prejudiciële vraag aan HvJ EG over uitleg artikel 18 EG en schorst verdere beslissing.