ECLI:NL:PHR:2010:BK3071
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid bestuurder voor onrechtmatige daad bij rolsubstitutie en leeghalen vennootschap
In deze civiele zaak staat de aansprakelijkheid van een bestuurder centraal die via een rolsubstitutie zijn aandeel in een maatschap persoonlijk is gaan uitoefenen, waardoor de vennootschap leeg is gehaald en MCH als schuldeiser benadeeld werd.
De feiten betreffen een complexe verhouding tussen MCH, [A] B.V., en [B] Maatschap, waarbij MCH een winstrecht hield en een disassociatieovereenkomst sloot met [A]. De rolsubstitutie per 1 januari 2000 leidde ertoe dat [A] haar maatschapsaandeel aan de bestuurder verkocht en feitelijk werd geliquideerd, waardoor MCH haar verhaal op [A] verloor.
De rechtbank wees de vordering tegen de bestuurder grotendeels af, maar het hof oordeelde dat de rolsubstitutie een onrechtmatige daad opleverde. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel, maar wijst de vordering tot hogere schadevergoeding af omdat MCH onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld om die schade te onderbouwen.
De Hoge Raad benadrukt dat de stelplicht en bewijslast voor schadebegroting bij MCH ligt, en dat het hof terecht heeft geoordeeld dat het algemene verwijt van leeghalen te vaag was. Het beroep wordt verworpen, waarmee het hofarrest in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; bestuurder aansprakelijk voor onrechtmatige daad, maar schadevergoeding beperkt tot €34.539 wegens onvoldoende onderbouwing.